Kerstsprookje-in-uitvoering

door Philip Huff

Godfried Bomans kwam – zoals bij velen, vermoed ik – voor het eerst mijn leven binnen met zijn Erik of het klein insectenboek, zijn schitterende novelle over Erik Pinksterblom waarvan meer dan een miljoen (!) exemplaren werden verkocht.

 

Mijn grootvader las nooit voor, maar dit was een boek waar hij het vaak over had. Het verhaal is bekend: Erik ligt de avond voorafgaand aan een schooltoets over insecten wakker in bed. Dan, ineens, komen de schilderijen om hem heen tot leven. Hij kruipt het schilderij in waarop een weiland staat afgebeeld. De insecten, ook prachtig geschilderd, blijken net zo groot te zijn als de hoofdpersoon. Erik brengt de nacht – het is dag op het schilderij – bij hen door. Aan het einde van het boek ontwaakt hij uit zijn droom.

 

Erik of het klein insectenboek was Bomans’ tweede (!) boek onder eigen naam; hij publiceerde het in december 1940, in het eerste jaar van de Tweede Wereldoorlog. De schrijver was toen zeventwintig jaar oud. Direct na verschijnen was het boek al een grote hit en het is duidelijk waarom: het is een liefdevolle, fantasierijke confrontatie met de menselijke natuur. De dieren zijn bij Bomans mensen. Of, andersom wellicht: de mensen zijn bij Bomans dieren.

 

Ik nam, toen ik enkele jaren terug naar New York verhuisde, een Erik mee, de boekhandelseditie van de Nederland Leest-versie, met harde kaft, een lofrede van Midas Dekkers als inleiding, en alle voorheen verschenen voorwoorden (achterin geplaatst, gelukkig, maar zeer de moeite waard om te herlezen).

 

Toen ik studeerde, luisterde ik naar het luisterboek van Jan Wolkers’ radioverslagen vanaf Rottumerplaat. De schrijver verbleef daar op verzoek van de AVRO en VARA-radio in 1971 een hele week. In zijn eentje.

 

Wolkers was niet de enige schrijver die zich die zomer ophield op het onbewoonde Waddeneiland. Bomans was de andere. Wie naar beide verslagen luistert, hoort wat Dekkers ook hoort: Wolkers steekt de borst vooruit en slaat zich vol bravoure door de week heen; Bomans’ schouders lijken wat in te zakken, de natuur overweldigt hem. Dekkers citeert Bomans over zijn verblijf: ‘Ik denk dat Jan Wolkers beter dan ik tegen dit soort leven bestand is. Hij staat dichter bij de “natuur” en zal niet, als ik, de wat ridicule aanblik leveren van een meneer die langs het strand wandelt.’

 

‘Een meneer die langs het strand wandelt’: zichzelf en de wereld met een lichte ironie bekijken, dat kon Bomans als geen ander, zonder daarbij de ernst van de situatie / het leven uit het oog te verliezen. Schrijft hij in Erik bijvoorbeeld over verliefdheid, laat hij de gelijknamige hoofdpersoon zien, zeggen en denken:

‘O ik geloof niet meer dat ik nog één hap honing over mijn lippen krijg,’ [besloot de vlinder.]

‘Dat zei mijn broer ook altijd,’ sprak Erik weer, ‘maar hij at toch heel goed.’

 

Doch de vlinder schudde het hoofd en wandelde zwijgend langs de bloemrand in het rond. Erik zag telkens het tere silhouet tegen de nachtelijke hemel voorbijkomen en hij geraakte zelf onder de indruk. ‘Het is toch niet waar,’ dacht hij bij zichzelf, ‘wat ze zeggen over een vlinderliefde. Het is veel ernstiger dan de mensen wel denken. Ik zal dat thuis toch eens zeggen, als ze er weer zo over praten.’

 

 

Bomans kon dus bij uitstek over de natuur schrijven, de menselijke en de 'echte', al klopt er van de kleine-insecten-biologie van Erik maar weinig, gelukkig gaat het boek dan ook over die grote 'insecten': mensen.

 

Het is niet verwonderlijk dat Bomans een groot bewonderaar en kenner was van de Engelse schrijver Charles Dickens (1812 – 1870). Bomans was een hartstochtelijk pleitbezorger van het werk van Dickens en vertaalde onder meer Pickwick Papers (1952), onderdeel van de volledige vertaling van Dickens’ werk in de jaren vijftig van de vorige eeuw bij Bomans’ eigen uitgeverij, Het Spectrum. Van die reeks werden ook meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Verder was de schrijver enkele jaren voorzitter van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship.

Bomans als Dickens (uit Katholieke Illustratie, 1952)

 

Het is dan ook geen groot wonder dat Bomans in 1946 voor weekblad Elsevier een stuk schreef 'Charles Dickens en kerstmis', met als ondertitel: 'Good old England'. Het stuk, over 'cosiness' of 'knusheid', is nog steeds zeer lezenswaardig. Kenmerkend is de milde spot voor de 'hoge heren' (in dit geval een Griekse filosoof), een informatieve beschouwing over iets 'oer'-Hollands (in dit geval het woordje 'knus') en een blijk van eruditie (Bomans is, ondanks zijn minnelijke voorkomen, een betweter). Bomans beschrijft de gezelligheid bij Dickens' thuis, hoe de Engelse schrijver kerstmis in zijn werk verbeeldt, zijn 'hang naar gezelligheid' en citeert een 'heerlijke passage', die hij fraai analyseert. Maar, zo toont Bomans, het geheim van Dickens is dat hij ook op die knusse momenten altijd een geest opvoert, een spook, dat té grote veiligheid en gezelligheid ondergraaft.

Een dergelijke korte, weldoordachte overdenking hint op een Nederlandstalige biografie, die er nooit kwam. Bomans komt heel dicht bij de ‘aard’ van Dickens, van kerstmis en van de menselijke toestand: gezelligheid is vaak tijdelijk (maar daarom niet minder waard!), veiligheid een illusie, zeker in de tijd van Dickens (maar daarom niet minder betoverend!) en goede schrijvers lezen is altijd een goede tijdsbesteding.

 

Daarover gesproken: wat ook te vinden is, zijn twee uitgetikte velletjes met een kerstverhaal dat Bomans zelf schreef, ‘De engel’, opgenomen in de bundel Sprookjes. Het is het verhaal van een kerstengel in Adorp, waarvan de moraal is dat de mens zélf verantwoordelijkheid draagt voor wat hij doet. Bomans hield van sprookjes (zie Erik!) en schreef ze ook, vaak allegorisch van aard. Van ‘De engel’ heeft het museum een eerdere versie in zijn bezit, die langer is dan de versie in Sprookjes, alsook enkele bladen met toevoegingen, die niet allemaal zijn doorgevoerd. Het is dus een sprookje-in-uitvoering. Waarmee Nederlands meest bekende en waarlijke volksschrijver aantoont zelf, in ieder geval als het op zijn werk aankomt, naar zijn woord te leven: als het beter kán, móet het beter. Daarmee sprak hij zijn zuster Borromée tegen, die op bijna honderdjarige leeftijd over Bomans zei: ‘Godfried? Ach, die lag meestal op de grond te lezen, of te slapen. Daar had je niet zoveel aan.’ Ze zal de jonge, nog-niet-schrijvende versie van haar broer hebben bedoeld, want de schrijvende Bomans, daar heb je wat aan – nog steeds. En aan lezen trouwens ook.