Kan een dichter ook rijmen?

door Peter de Bruijn

Op 4 december 1954 stond op de voorpagina van het katholieke dagblad De Tijd – onder het hoofdartikel over de zorgwekkende gezondheidstoestand van de Heilige Vader te Rome, paus Pius XII – een ander ‘dermate belangwekkend’ bericht dat de krant het omkaderde. Het bericht was geplaatst ‘uit naam van’ die andere heiligman, ‘Sint zelve’, en werd de lezer ‘met blijdschap’ aangeboden.

Kan een dichter ook rijmen? Anno 1954 een belangwekkende vraag, want nog geen jaar eerder had Bertus Aafjes in een reeks artikelen in Elseviers Weekblad de aanval geopend op de experimentele gedichten van de Vijftigers. Zij konden met hun ‘verminkt intellect’ alleen maar ‘rauwe a-poëtische kreten’ uitstoten, aldus Aafjes. ‘Lees ik Lucebert’s poëzie, dan heb ik het gevoel dat de SS de poëzie is binnen gemarcheerd.’

 

De bisschop en zijn boeman

 

Het was dus een gelukkig besluit van de redactie om ‘een aantal Nederlandse poëten’ te vragen ‘een Sinterklaasvers voor ons blad te schrijven’. Onder de inzenders vinden we klinkende namen, en niet alleen uit katholieke kring: Ad. den Besten, Remco Campert, Jan Engelman, Pierre Kemp (in 1954 winnaar van de Amsterdamse poëzieprijs), Michel van der Plas, A. Roland Holst, Bert Voeten en nog twintig andere – meer en minder bekende – dichters. En het resultaat mocht er zijn. De redactie kon tot haar vreugde constateren ‘dat sommige dichters het ècht ook wel kunnen: rijmen; en dat, weer anderen, rijmende, niet kunnen nalaten te gaan dichten.’

 

De gedichten werden als bladzijden van een gedichtenbundel verspreid in de krant geplaatst, en wel zodanig dat liefhebbers ze konden uitknippen en met een simpele instructie hun eigen bundeltje konden plakken: ‘Wanneer U een vers uitknipt, vindt U aan de achterzijde automatisch een ander.’

 

Uit de meeste gedichten stijgt het klassieke beeld op van ‘de bisschop met een boeman en een baard’, zoals we dat kennen van illustraties uit het verleden. Alle bekende attributen passeren de revue – marsepein, speculaas, de zak en de roe – en ook in ‘Sinterklaas A.D. 2500’ laat Mathias Kemp de Goedheiligman nog gewoon op zijn witte paard rondrijden, terwijl de mensheid zich inmiddels probleemloos door de ruimte beweegt (‘Dolf en Wiel – dat zit me dwars – / zijn gaan tennissen op Mars’).

 

Actualiteit

 

Blijkens hetzelfde gedicht is er in het jaar 2500 nog ‘gewoon’ sprake van ‘zwarte Piet’, alsof er nooit enige discussie is geweest. Dat die discussie toch ook zestig jaar geleden al actueel was, valt af te leiden uit het gedicht ‘Sinterklaas 1954’ van Louis de Bourbon:

[...]

Zwarte Piet, zwarte piet,

in de huidskleur zit het niet,

zij zijn enkel te beklagen

die in wijsheid’s dienst versagen

vriendschap zetelt in het hart

vrede sticht men met geen gard.

 

Een politieke actualiteit treffen we aan bij Willem Elsschot:

De smeekbede van de sint bij ‘de grote Baas’ heeft uiteindelijk geholpen, zo weten we nu. Het geflirt van Trump met Poetin lijkt me althans een treffende illustratie van de door Elsschot verhoopte verzoening.

 

Poëtische waarde

 

Welke van de afgedrukte verzen hebben het oeuvre van de dichters gehaald? Zou Remco Campert zijn komische bijdrage over de onvermijdelijke stropdas als sinterklaasgeschenk een plaats hebben gegund in de afdeling verspreid gepubliceerde poëzie in De gedichten of in Dichter?

 

Het antwoord is: nee. Ook samenstellers verwijzen gelegenheidsgedichten vaak naar de prullenmand met als argument dat de dichter er zelf weinig of geen ‘poëtische waarde’ aan zou hebben gehecht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij Kees Lekkerkerker, de samensteller van de Verzamelde gedichten van Ed. Hoornik. Oordeel zelf.

Sint Nicolaasmorgen

 

Het meisje keert zich slapend om:

in de lampetkan en de kom

begint de dag te komen.

 

Nog huppelt langs een schimmenrij

bouwblokken en het huis voorbij,

waarin de poppen dromen,

het suikerpaard. Maar vliegensvlug

vindt het zijn voetstuk weer terug:

het licht is doorgekomen.

 

Dan slaat mijn kind de ogen op,

– o suikerbeest, o speelgoed-pop. –

Het hooi is weggenomen.

 

De redactie van het Verzameld werk van Pierre Kemp uit 1976 valt in dit opzicht positief uit de toon: het gedicht ‘Berisping op de daken’ staat keurig netjes bij de verspreide gedichten. Ook in het tweedelige overzicht van de poëzie van Jan G. Elburg, ‘Ik hoop dat ik stoor’ door Peter Bormans, is een lijst van verspreide gedichten opgenomen. Bij ‘Sinterbob’ staat vermeld: ‘geen gegevens’. Elburg nu blijkt een van de dichters die al rijmende het dichten niet kon laten:

Vragen voor ná 5 december

 

Hoe zal de avant-gardist Elburg het trouwens hebben gevonden om samen met Bertus Aafjes in de krant te staan, met zijn hierboven aangehaalde SS-vergelijking? Of A. Roland Holst en Bert Voeten samen met Remco Campert? Die had immers nog niet zo lang geleden geschreven:

Nu Roland Holst oud geworden is

en vierregelrijmen wisselt met Vestdijk,

weggelopen demonen tracht terug te roepen

en men Voeten een belangrijk dichter vindt,

wordt het tijd dat wij iets laten horen,

een stem dwars door puinstof heen,

[...]

 

En wat doet Willem Elsschot eigenlijk in het verder geheel Hollandse onderonsje? En waarom heeft er maar één vrouw meegedaan? Harriet Laurey behoorde in 1954 toch tot een niet bepaald kleine groep dichteressen van ‘overgangswerk’, zoals Hugo Brems het ietwat ongelukkig formuleert in zijn literatuurgeschiedenis Altijd weer vogels die nesten beginnen. Waar waren Mies Bouhuys, Hanny Michaëlis, Ankie Peypers, M. Vasalis en anderen op 4 december 1954?

 

Brems reikt een mogelijke verklaring aan voor hun afwezigheid in de krant: deze dichteressen gaven blijk van een ‘verschuivend bewustzijn’ en ‘gevoelens van onheil en depressie’ en – zo voeg ik eraan toe – waren misschien daarom niet zo in de stemming…

 

Kortom, ook voor ná 5 december bieden de gedichten nog genoeg stof om het hoofd over te breken.

 

Alle sinterklaasgedichten uit De Tijd zijn hier te vinden.

Colofon

LITERATUUR

 

Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005. Amsterdam, 2006, p. 115-116 (over Bertus Aafjes) en p. 117 (over Harriet Laurey).