Josepha’s comeback

door Hanna Bervoets

‘Feminist avant la lettere’ – framing van een vrije schrijver

 

Begin jaren tachtig beleefde Josepha Mendels een comeback. Haar romans werden opnieuw uitgegeven, Mendels deed talloze interviews en optredens en werd ‘feminist avant la lettre’ genoemd. Haar vrijgevochten thema’s en levensstijl sloten perfect aan op de tijdgeest, maar van het label feminist moest Mendels zelf niets hebben. Hanna Bervoets las de interviews van toen.

Ik stel me voor dat je voor de spiegel staat. Het is 1981, je bent negenenzeventig en verblijft een week in Nederland ter promotie van je biografie. Straks, als de journalist er is, dan bellen ze naar je kamer. Je zal naar beneden komen met de trap – de lift maakt oud –, jullie zullen in de lobby plaatsnemen en dan begint het schaakspel, het toneelstuk waarbij jij doet of je niet weet wat de journalist vragen zal, terwijl zij doet of ze niet weet welke antwoorden jij zal geven. Dat weet ze wel. Er is een dikke knipselmap – de journalist weet wat anderen geschreven hebben en zij zal hetzelfde schrijven, alsof háár publiek geen andere kranten leest en misschien is dat ook wel zo; ze zijn zo bekrompen in Nederland.

 

Jij vindt het allemaal best. Je weet wat je te doen staat. Bij de onvermijdelijke vraag ‘hoe je jeugd was’ zul je vertellen hoe je jezelf voor het eerst in het water van de IJssel zag. Je was vijftien en realiseerde je plotsklaps dat je geen schoonheid was: die onderkin, die haakneus – bij de gedachte aan de aanblik ril je nog steeds wel eens. Daarna zal je beschrijven hoe mooi de andere kinderen op de meisjesschool waren (en wie weet ook hoe erotisch ze bewogen), je zal zeggen dat je je altijd een buitenbeentje waande, dat je je vader als kind vertelde dat je zeventien kinderen van zeventien mannen wilde en hoe hem dat choqueerde (dat haalt elke publicatie). Dan, het verhaal over die keer dat je een vreemde jongen aantikte: hé, loop je een stukje met me mee, dan maken we mijn vriend jaloers, ja? – met die jongen kreeg je toen een relatie (is dát niet romantisch?).

 

Het verhaal van Josepha

 

Na dat alineaatje ‘Jeugd’, begint het interview pas echt. Een wandeling is het, langs de piketpaaltjes van je bestaan – de journalist en jij op een speurtocht waarvan jullie beiden de route al kennen, toch veinzen jullie verbaasdheid wanneer jullie een rood lintje ontdekken: de lintjes anekdotes die, wanneer ze eenmaal achter elkaar staan, jouw levensverhaal vormen – het verhaal van Josepha.

 

Josepha Mendels die in 1936 in d’r eentje naar Parijs vertrok om journalist te worden. Josepha Mendels die in 1942 moest vluchten voor de oorlog, onderweg naar Engeland van haar bezittingen beroofd werd en nog even in een spannende Spaanse vrouwengevangenis heeft gezeten; Josepha Mendels die, terug in Parijs, affaires met verschillende mannen had (‘Het huwelijk vind ik belachelijk’ – was dat niet laatst een krantenkop?), die op haar vijfenveertigste een kind kreeg van een man die ze daarna verliet (in HP stond de bevalling zo gedetailleerd beschreven dat mensen je erop aanspraken, is het niet?) – Josepha die altijd haar eigen geld verdiend heeft, die altijd onafhankelijk bleef, die nu met een goede vriendin samenwoont maar nog altijd veel ruimte en tijd voor zichzelf nodig heeft; Josepha die op haar vijfenzeventigste nog begon met acteren (is ook dat niet alleraardigst en kranig?).

 

Het is je leven. Maar het is het ook niet. Het zijn boeien in een zee vol verdriet, verliefdheden en verlies; de journalist beschrijft de vorm en kleur ervan maar naar de rest vraagt ze niet – het kolkende water, de golven en onderstroom blijven onbesproken en daar ben je best blij om, misschien.

 

Ik stel me voor dat je gaat zitten, Josepha. In de grote fauteuil in de hoek van je hotelkamer: zo’n stoel waar er maar één van is, zo’n stoel die nergens toe dient, tenzij men van het uitzicht op een beslapen bed geniet. Je bent moe, merk je. Het is je lijf, dat al zeven dagen achtereen in touw is. Het stond in een toneelstuk en het gaf interviews, het zat bij Sonja Barend en het lunchte met de uitgever, het was tot diep in de nacht op de presentatie van je biografie en het dronk en danste en het schaterde, maar nu wil het misschien liever slapen. Je geeft je lichaam haar zin niet – nog niet.

 

Ik stel me voor dat je je ogen sluit, even. ‘Bent u nou verrast over uw comeback?’ vroeg een journalist gisteren. Of misschien was het een type van een societyrubriek, maar ook die, vooral die, moet men serieus nemen. ‘Och, wat kan ik zeggen?’ zei je, want wat kon je zeggen? Comeback is een vreemd woord, alsof je ooit bent weggegaan, de hele literaire goegemeente bewust de rug toekeerde en de deur dichtsloeg: ‘Daar ga ik, nou doei!’ – zo ging het niet. Je zat in Parijs en je schreef, en je kreeg een zoon, en je schreef nog meer.

 

Feminist avant la lettre

 

Maar het is waar; hoewel je romans altijd goede besprekingen kregen, werden je boeken nooit opnieuw uitgegeven. Tot nu, ruim dertig jaar na de verschijning van je debuut; is dat toeval, geluk? Ze ontdekten je brieven aan Anna Blaman en daar maakten ze een boekje van; maar hé, zei iemand toen, die Mendels heeft nog meer geschreven – sindsdien worden je boeken een voor een als lang verloren meesterwerken onthaald. ‘Onbegrijpelijk dat Rolien en Ralien niet een belangrijker plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis inneemt!’ schreef een critica laatst. Je zou liegen als je zei dat je daar niet zeer tevreden over was.

 

‘Waarom slaat jouw werk juist nu weer zo aan?’ – ook dat vragen ze steeds weer. En je weet wat zo’n meisje dan horen wil (meestal zijn het meisjes; jonge vrouwen met brede schoudervullingen en platte schoenen) maar je krijgt het niet over je lippen, dus laat je het hen zelf maar opschrijven: wat is die Mendels toch modern, liberaal!

En wat is die Mendels toch ruimdenkend!

Wat is die Mendels toch feministisch!

‘Feminist avant la lettre’, zetten ze twee jaar geleden boven een interview. God, wat heb je je daaraan geërgerd. En sindsdien vraag je elke journalist om het recht te zetten maar ze doen het zelden, ze willen het niet horen, het past niet bij het beeld dat ze van je hebben: Josepha is zo vrijgevochten, Josepha heeft geen mannen nodig, Josepha doet haar eigen zin – o, het klopt allemaal, hoor, maar: Josepha wil ook nergens bij horen. Dus ook niet bij die moderne feministen met hun benauwende opvattingen.

 

Het spijt me dat ik niet lesbisch ben!

 

Gisteren nog ging het helemaal mis. Je was op het Serpentine-forum over ‘vrouwen, literatuur en erotiek’, er lagen oesters en appels op tafel (zo plat!) en je las een stuk voor uit Je wist het toch; een erotische passage, precies zoals ze je gevraagd hadden, maar het stuk gaat over een man en een vrouw – een vrouw die die man aantrekkelijk vindt, mag het? Nee, het mocht niet, hoor. Wat keken de vrouwen in de zaal vuil naar je, gemonkel, geklaag: ‘Sorry!’ riep je toen maar: ‘Het spijt me dat ik niet lesbisch ben!’

 

Dat is wat ze tegenwoordig willen, van je eisen: een echte feminist doet het niet met mannen. En o, wat zien ze jou graag als echte feminist, dus wat geloven ze graag dat je een romantische verhouding met je huisgenote hebt, en wat weten ze zeker dat jij en Anna Blaman het bed deelden. ‘Ja, ik ben met vrouwen geweest, maar nee, niet met Anna, en o: ik houd toch echt vooral van mannen.’ – ook dat laat je elke journalist optekenen. En daarna begin je over je haar, of over het pakje dat je draagt.

 

Ik stel me voor dat je opstaat, in je jasje glijdt en naar de deur loopt. Traag, maar statig; je trekt je ketting op z’n plek.

 

Hé, Josepha, zou ik je willen vragen voor je de kamer verlaat: wat vind je er nou van dat al die journalisten zelden naar je werk vragen, nooit verder komen dan ‘Is het autobiografisch’…

 

Hé, Josepha, zou ik daarna zeggen: wat vind je ervan dat ze steeds weer jouw onafhankelijkheid benadrukken, schrijven dat je wars bent van huwelijk, gezin en burgerlijke verplichtingen, waardoor werkelijk ieder interview over het huwelijk, gezin en burgerlijke verplichtingen gaat?

 

Hé, Josepha, zou ik je ten slotte nafluisteren, wat zou je ervan vinden als ik je zei dat je over pakweg vijfendertig jaar opnieuw onder de aandacht kwam, alweer in een tijd waarin de vrouwenbeweging zich laat gelden, mannenemancipatie de krant haalt, meisjes hun haar afknippen en het patriarch de oorlog is verklaard?

 

Misschien zou je je heel even naar me omdraaien. En ik stel me voor dat je glimacht: ‘Ach,’ zeg je, ‘ik vind het allemaal best, hoor. Maar als je het niet erg vindt, meisje, ga ik nu. Ik heb namelijk nog heel veel te doen.’