Jacob van Lennep als humoristisch tekenaar

door Dick Welsink
Behalve schrijver van gedichten, verhalen, romans, taal- en geschiedkundige  studies, en tekstbezorger van de verzamelde werken van Vondel, was Jacob van Lennep (1802–1868) wiens sterfdag, 25 augustus 1868, dezer dagen herdacht wordt,  geen onverdienstelijk tekenaar. Voor zijn eerste dichtbundel,  Academische idyllen (1826), heeft hij zelf de titelpagina en een vignet getekend. Soms maakte hij snelle schetsjes in de marge van een handschrift en illustreerde hij brieven aan vrienden.

 

In de collectie van het Literatuurmuseum bevindt zich een omslag met 70 bladen met schetsen van Van Lennep. Ze zijn ongedateerd, maar ik durf te beweren dat hij een deel ervan heeft gemaakt als hij zich verveelde tijdens de ellenlange beraadslagingen in de Tweede Kamer. Van 1853 tot 1856 zat hij namelijk als afgevaardigde van het district Steenwijk in het parlement en bekend is dat hij tijdens debatten die hem niet interesseerden of naar zijn zin te lang duurden, soms een humoristisch versje maakte over de motie of het amendement waarover van gedachten werd gewisseld.

 

De bladen zijn van verschillend formaat, variërend van iets groter dan een visitekaartje tot folio. De schetsen hebben vaak, maar niet altijd, een onderschrift. Er zit zelfs een soort stripverhaal bij over hoe de ouders van een jongen die nergens voor wil deugen, wanhopig proberen hem in het gareel te krijgen. Nadat ze hem vergeefs naar school hebben gestuurd, en achtereenvolgens bij een kleermaker, een timmerman, een tabakshandelaar en een bakker in de leer hebben gedaan, lijkt het erop dat hij, geïnspireerd door een bezoek aan een schilderijententoonstelling, een talent voor beeldende kunst bezit. Een om advies gevraagde kunstschilder beweert dat er een Rembrandt van hem gemaakt kan worden, maar wie naar het laatste plaatje van het verhaal kijkt, weet wel beter.

 

Op de kleinere blaadjes staan tekeningetjes waarin je een letterlijke ‘verbeelding’ van een uitdrukking ziet, bijvoorbeeld een man die een bijeengebonden stapeltje papieren omhoog trekt aan een touwtje dat over een in een schutting geslagen pin loopt, met bijschrift: ‘Deze Heer doet de effekten rijzen.’ Die zijn tamelijk flauw. Leuker is een schetsje van een jongeman, achterover hangend over de leuning van een stoel naast een bed waarop een broek ligt, met bijschrift: ‘Deze Heer, een weinig verstrooid zijnde van gedachten, legt zijn broek in bed, en hangt zich zelven over een stoel.’

 

Het leukst zijn enkele schetsjes waarin een loopje met de logica wordt genomen, zoals van een man die een stukje boven de grond zweeft, met bijschrift: ‘Deze Heer trekt zich by zijn hair op.’ Dit grapje is overigens ontleend aan de verzameling sterke verhalen van de Baron von Münchhausen waarvan in 1843 een Nederlandse vertaling was verschenen onder de titel Zonderlinge reizen en lotgevallen van den Vrijheer von Müchhausen. Of een van een lange man met baardje die een ladder opklimt, met bijschrift: ‘Deze Heer is zoo lang, dat hy, om zich te scheren, op een ladder moet klimmen.’

 

Absurd is een schetsje van een ruiter te paard die om een toren heen draaft en zijn eigen paard op de hielen zit, met bijschrift: ‘Deze Heer rijdt zoo hard om een toren dat hy zich schoon in den rug ziet.’ Je zou dit, met enig understatement, als een vroege verbeelding van het sneller reizen dan het licht kunnen zien waarvan Albert Einstein in zijn speciale relativiteitstheorie de onmogelijkheid heeft aangetoond.

 

Ik zei dat de bladen ongedateerd zijn, maar ten minste één valt wel, althans bij benadering, te dateren. Op dit blad is tussen de twee tekeningen een krantenknipseltje geplakt, gedateerd 29 november. Het is een kort bericht over het bezoek van mevrouw Weisz, leidster van een groep jonge danseressen, aan Artis. Met behulp van Delpher kon ik achterhalen dat dit bezoek in 1844 heeft plaatsgevonden. Van Lennep drijft de spot met dit berichtje waarin mevrouw Weisz wordt aangeduid als ‘achtingswaardige leermeesteresse’ die ‘den juisten weg weet te kiezen, om zonder vrees in te boezemen, het kinderlijk gemoed tot ernstige oefening te stemmen.’

Op het bovenste plaatje zien we haar met een voorwerp in de rechterhand dat verdacht veel weg heeft van een roe, kennelijk bedoeld om haar jeugdige leerlingen bij de les te houden. Vanuit het struikgewas worden ze beloerd door mannen met verrekijkers. Op het onderste plaatje de ontvangst van het gezelschap in een van de zalen van Artis waar (dezelfde?) mannen zich onderhouden met de jongedames.

 

Het bovenstaande is maar een kleine en tamelijk willekeurige keuze uit de 70 bladen. Er is aan af te zien dat Van Lennep, die een groot vijand van ledigheid was, niet alleen als schrijver maar ook als tekenaar een speelse pen had.