Hoe ouder hoe gekker

door Marc van Zoggel

Literatuurgeschiedenis is een gigantische en eindeloze uitwisoperatie. Met vergankelijkheid en vluchtigheid als zijn trawanten maakt de tijd voortdurend schrijvers zoek. Soms wordt een auteur echter, door toewijding of toeval, aan de vergetelheid ontrukt. Toen Dola de Jong in 2003 op 92-jarige leeftijd overleed, was ze allang in het vergeetboek bijgeschreven. Maar in 2015 stond ze opeens weer volop in de belangstelling toen uitgeverij Cossee En de akker is de wereld (1947) herdrukte. ‘Dola de Jong verdient herontdekking’, jubelde Arjan Peters in de Volkskrant over deze roman, die hij ‘volstrekt onromantisch en bij vlagen diep ontroerend’ noemde.

Draaitol

 

Dorothea Rosalie de Jong werd in 1911 geboren in Arnhem. Haar oudere broer Hans kon de ‘r’ in Dorothea niet uitspreken, wat haar de roepnaam ‘Dola’ bezorgde. Ze wilde danseres worden en verdiende intussen haar geld als journaliste en schrijfster van jeugdboeken. In 1939 verscheen haar eerste roman voor volwassenen, Dans om het hart.

 

Het gezin De Jong was Joods, en Dola was schrander en weerbaar genoeg om op de naderende dreiging te anticiperen. In april 1940 vluchtte ze met haar verloofde Jan Hoowij uit Nederland, met aanvankelijk als bestemming Zuid-Amerika. Eerst togen ze naar Marokko, naar de autonome internationale zone van Tanger, om in juni 1941 door te reizen naar New York.

 

In de VS vond Dola onder meer emplooi als literair agent, in welke hoedanigheid ze vergeefs ijverde voor een Engelse editie van het dagboek van Anne Frank. Ze maakte vertalingen van haar jeugdboeken en schreef een aantal nieuwe werken direct in het Engels: The Level Land (1943) en het vervolg Return to the Level Land (1947). Ook publiceerde ze een roman voor volwassenen: And the Field is the World (1945), over het lot van Joodse vluchtelingenkinderen. Ze vertaalde het boek zelf naar het Nederlands: En de akker is de wereld verscheen in 1947 bij Querido en werd bekroond met de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam.

 

Na haar scheiding van Hoowij trouwde ze de Amerikaan Robert Joseph. In 1954 verscheen De thuiswacht, haar laatste in het Nederlands geschreven werk. Na de romans The House on Charlton Street (1962) en The Whirligig of Time (1964) werd het stil rond De Jong. Na een tweede echtscheiding woonde ze in de jaren zeventig weer enige jaren in Nederland, maar ze kon er niet meer aarden en vestigde zich met haar derde man, de schatrijke Oscar van Leer, opnieuw in New York. De laatste jaren van haar leven bracht ze door in Californië.

 

Twee brieven in het archief van het Literatuurmuseum vormen getuigenissen van het roerige leven van Dola de Jong.

Mejuffrouw

 

Professor Johannes Tielrooy was in 1940 een gearriveerd romanist. Buitengewoon hoogleraar Franse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, cultureel bemiddelaar en publicist in tal van kranten en periodieken. Op 16 maart tikt hij een briefje aan Dola de Jong namens Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Tielrooy was pas een paar maanden als redacteur aan dit blad verbonden, als opvolger van Top Naeff. Hij schrijft De Jong naar aanleiding van twee inzendingen. Dola was niet de enige in het gezin De Jong met schrijfambities, zo blijkt: ‘Ingevolge Uw wensch heb ik, om U ter wille te zijn, heden middag reeds het artikel van Uw broeder gelezen, hoewel nog vele andere, eerder ontvangen, inzendingen op afdoening wachten.’

 

Het is niet bekend of het een tekst van Hans of van haar jongere broer Jan betrof. Tot een publicatie komt het in elk geval niet: ‘Ik heb er alle waardeering voor, maar het is door zijn inhoud voor ons tijdschrift niet geschikt.’ Dola’s bijdrage zal daarentegen ‘binnen niet al te langen tijd’ worden geplaatst, zo verzekert Tielrooy. Maar die tijd was er niet meer: na de Duitse inval in mei 1940 verscheen Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift nog tot december, daarna werd uitgave gestaakt. Een publicatie van Dola de Jong is in de jaargang 1940 niet terug te vinden. Haar vader, stiefmoeder – haar moeder overleed toen Dola vijf was – en broertje zouden een paar jaar later omkomen in de vernietigingskampen.

 

In zijn brief attendeert Tielrooy De Jong voorts op een bespreking van haar roman Dans om het hart door Barend Roest Crollius, die eveneens ‘binnenkort’ geplaatst zal worden. De recensent is volgens Tielrooy ‘over het geheel wel ingenomen met Uw boek’. Deze bespreking is in 1940 nog wel verschenen in Elsevier’s. Roest Crollius blijkt toch minder enthousiast dan Tielrooy deed voorkomen: ‘Het boek wekt verwachtingen wat de schrijfster betreft, maar is op zichzelf wat vlak, wat schetsmatig en hier en daar zelfs onbeduidend.’

 

De toon van Tielrooy is stijf-formeel en ook wat bevoogdend. De aanhef ‘Mejuffrouw’ getuigt daar al van, de slotalinea van zijn briefje is zelfs tamelijk paternalistisch: ‘Wat tenslotte Uw honorarium betreft, ik geef U in overweging, U met het bericht dienaangaande rechtstreeks tot de uitgevers te wenden. Het was een vergissing van U, te meenen dat U mij wel telefonisch kon verzoeken, deze boodschap voor U over te brengen.’ Dola’s assertiviteit was in Tielrooys ogen een faux pas.

Hersenverkalking

 

Veertig jaar later. Een tweede brief. Dit keer van Dola de Jong, vanuit New York. Boven aan het schrijven van 17 juli 1980 prijkt fier haar briefhoofd: Dola De Jong-Van Leer / 178 East 80th Street  Apt. 24E’. De geadresseerde is Gerrit Borgers, van 1969 tot 1979 hoofdconservator van het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag, het huidige Literatuurmuseum, en ten tijde van de brief hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

 

De Jong heeft contact gehad met Borgers over haar schamele boekenbezit: ‘Ik ben echt blij dat je een goede bestemming voor mijn Hollandse mini-bibliotheek weet. Jammer dat het er niet meer waren, maar als gevolg van mijn heen-en-weer is er langzamerhand niet veel meer over.’ Borgers’ professoraat is nieuws voor haar: ‘Achteraf natuurlijk mijn gelukwensen.’ Ze biedt zich prompt aan als gastdocent: ‘Mocht je ooit een schrijfster uit Amerika voor je studenten willen zetten met het verhaal van de Amerikaanse uitgeverij in het jaar des Heren 1980, dan hou ik me aanbevolen. Ik hou nogal eens lezingen voor de diverse universiteiten hier die met subsidie van CRM een Hollandse afdeling in het departement van de Germaanse talen hebben zitten. Er zijn er nu tien. Het laatste was ik in Minnesota – heel leuk.’

 

De universiteit ziet ze ook als student van binnen: wellicht weet Borgers ‘dat ik – hoe ouder hoe gekker – in ’77 ben gaan studeren. Ik ben aan mijn scriptie bezig en hoop in december “af te zwaaien”. Het viel met de hersenverkalking nogal mee, al zegt Tineke Vroman (die dit voorjaar n.b. een Ph.d. haalde in Medical Anthropology)[:] “wij moeten alles drie maal overlezen.”’

De Jong zou haar bachelor psychologie cum laude behalen en zelfs nog zeven jaar Creative Writing aan de Empire State University doceren voor ze zich vestigde in de seniorenenclave Laguna Woods in Californië. Op 13 november is het vijftien jaar geleden dat ze daar overleed.

 

De twee brieven tonen achtereenvolgens een zelfbewuste ‘mejuffrouw’ van nog geen dertig aan de vooravond van haar vlucht voor het noodlot en een studerende dame van bijna zeventig in de chique Upper East Side van Manhattan. Het zijn boeiende momentopnamen uit het bijzondere leven van Dola de Jong.

Colofon

Toon verantwoording

Geraadpleegde literatuur:

 

Dola de Jong, En de akker is de wereld. Amsterdam, 2015 [1947].

Lucas Ligtenberg, ‘Een leven doormidden gesneden. Dola de Jong, schrijfster van En de akker is de wereld’. In: De parelduiker, 17 (2012), afl. 5, p. 2-18.

Arjan Peters, ‘Dola de Jong verdient herontdekking’. In: de Volkskrant, 25 juli 2015.

B. Roest Crollius, ‘Opstand der kinderen’. In: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, 50, deel 99: januari-juli 1940, p. 392-393.