Het masturbatiedagboek van Lodewijk van Deyssel

door Sander Kok
Deel 1. Oorlog zonder vrede

Toen meisjes nog zwanger konden worden van de bril van het schijthuys, toen vieze luchtjes overal ter wereld nog ziektes verwekten, toen beschaafde mensen met elkaar in het Frans converseerden en Parijs nog niet in zichzelf was versteend; toen het Koninklijk Concertgebouw nog in het weiland stond, toen foto’s nog niet de plaats van de werkelijkheid hadden ingenomen, toen toeristen nog vreemdelingen heetten en plotseling overal opdoken (verdachte figuren, die zich schijnbaar nutteloos ophielden in de buurt van kerken en theaters); toen heren en dames bij het geratel van de paardentram elkaar in tranen uitgewiste brieven schreven, toen Nederland zijn schrijvers met straatnamen eerde, toen het uitroepteken geen hysterische persoonlijkheid verried maar een gepassioneerde, toen God nog niet dood was en de kunst ook niet; toen één blik van een vrouw in een passerend rijtuig de in zwart gestoken ontvanger een leven lang ongelukkig maakte, toen een moeder tegen haar zoon kon zeggen dat hij er die ochtend wat afgetrokken uitzag en daarmee bedoelde dat hij een beetje afwezig voor zich uit staarde, toen, in die tijd, ging Lodewijk van Deyssel elke avond naar bed met om zijn handen kokers die waren bekleed met spijkers.

Lodewijk van Deyssel in 1885

 

Toen, in de negentiende eeuw, was de wereld gekker dan nu. Van alle eeuwen is de negentiende misschien wel de gekste – al is elke eeuw nogal gek, vanuit de onze gezien. De negentiende is misschien nog extra gek door haar betrekkelijke nabijheid. Haar absurditeiten treden er nadrukkelijker tegen naar voren. (De twintigste is dichterbij, maar het grootste deel daarvan lijkt voorlopig nog te veel op de onze.) Negentiende-eeuwers lijken naar ons idee meer op ons dan mensen uit de zeventiende eeuw of nog eerder. Dus als Lodewijk van Deyssel, de beroemde Tachtiger, schrijver van Een liefde en talloze romans, scheldkritieken en essays, zichzelf van masturbatie onthield door in bed zijn handen in met spijkers beklede kokers te steken, lijkt dat nog vreemder dan wanneer bijvoorbeeld Joost van den Vondel, die ongetwijfeld met dezelfde menselijke aandriften als Lodewijk van Deyssel te kampen had, zich door noodgrepen de onanie belette.

 

Onanie, masturbatie, de eenhandige zonde, voor Van Deyssel was het geen onschuldig vermaak. Een oorlog zonder vrede voerde hij, de heerser van zijn lichaam, tegen de rebellie van zijn driften.

Tussen 1890 en 1895 houdt hij een onaniedagboek bij, waarin hij de voortgang van zijn strijd beschrijft. Het leest als een wetenschappelijke verhandeling, als een juridisch document, als een natuurhistorisch handboek. Geschiedenis der bestrijding van den kwaal, luidt het eerste hoofdstuk. Maar al snel wordt het hoogstpersoonlijk. Hoe kan het ook anders met zo’n onderwerp?

Zondag 12 Juli 1891, 12u. 45 middag.

Het is nu het geschikte seizoen om de bestrijding der onanie weêr met kracht te beginnen. Geestelijk om dat ik in een zeldzame periode van wil-werking ben, stoffelijk om dat de slaapkamer ’s zomers een geriefelijker werkplaats voor de mechanische bestrijding is dan ’s winters èn om dat ik er nu eenig geld voor beschikbaar heb indien dit noodig mocht zijn (voor instrumenten, dwang-buizen, enz.)

Kom, laat ik nu eens maken dat met 1[e] november de onanie zoo goed als overwonnen is. […] Trouwens, het door-zetten van goed-opstaan moge niet zóó moeilijk zijn, - het komt in moeilijkheid de overwinning der onanie zéér nabij. In het eerste lijk ik eenigszins te slagen, - waarom zoû dat met het laatste óok niet het geval kunnen zijn. Te meer daar ik tegen de onanie nog sterker mechanische maatregelen kan nemen dan tegen het opstaan. Want de houten met spijkers beslagen handomhulsels, die mij de onanie mechanisch beletten, staan gelijk met een mekanieke matras, die mij, op het uur dat het wekkertje afloopt, uit het bed zoû smijten.

 

Soms, als de beschrijvingen al te intiem worden, neemt hij als vanzelf een afstandelijkere positie in. Wat een tragisch, natuurhistorisch onderzoeker is hij als hij schrijft:

Het lichaam ligt te bed […], maar de touwen zijn geknoopt in plaats van gestrikt. Nu maakt de mond de knopen los.

 

Niet Van Deyssel; zijn lichaam, zijn mond. De onmatige onanist koppelt zich los van zijn lichaam en daarmee van zijn verantwoordelijkheid. De mond pleegt zelfstandig, als ware het buiten het bewustzijn om, de misdaad van de onanie. Van Deyssel zelf blijft onschuldig, of nou ja, op andere plekken aanvaardt hij gul de verantwoordelijkheid. Dan spreekt hij zich streng toe:

Dat gij niets volbracht hebt van wat gij u tien jaar geleden hebt voorgenomen niet alleen, maar ook jaar op jaar dag in dag uit u miserabel en beroerd en ellendig en laag en laf en om uit te spuwen en verachtelijk hebt gevoeld, – daarvan is alléen de Onanie de schuld.

 

Alléen de Onanie. Hier treedt Van Deyssel zijn vijand met het hoogste respect tegemoet. Hij huldigt hem met een hoofdletter. Als ware de Onanie eenzelfde metafysische grootheid als de Dood, de Liefde, de Schoonheid. Krachten die de bestemming der mensen bepalen, zonder dat ook maar één sterveling er met zijn beperkte verstand bij kan hoe ze precies in hun werk gaan. De masturbatievijand verdient respect en krijgt dat.  Slechts met de zwaarste geestelijke en lichamelijke inspanningen, zegt Van Deyssel tegen zichzelf, kan hij hem verslaan. En dan?

 

Dan breekt het paradijs aan.

 

In zijn diepste wezen draagt de koele rationalist de hete fakkel van de romanticus, hij begrijpt: geen strijd, geen paradijs.

 

‘Het is mijn ergste vijand, op hèm moet ik de mooiste overwinning behalen’, schrijft hij op een van de dicht beschreven vellen. Want ja, hoe erger de strijd, hoe mooier de overwinning – kan je denken, maar de vermeende schoonheid van de overwinning en haar prachtige gevolgen is op haarzelf een gevolg van de intensiteit van de strijd. Hoe erger de strijd, hoe belangrijker dat we ons de overwinning als mooi en waardevol voortoveren.

 

Kleine succesjes, voor de grote Tachtiger waren die er genoeg – genoeg om door te gaan, genoeg ook om de strijd soms op te voeren, maar de grote overwinning? Die bleef voorgoed uit. Al trok hij er hard aan.

Zoals misschien wel ieder mens was Van Deyssel in de eerste plaats slachtoffer van zijn eigen, naar later bleek zinloze strijd. Hij leefde in een gekke eeuw, waardoor zijn masturbatieobsessie relatief misschien iets minder gek lijkt – als iedereen gek is, is niemand gek – maar dient dat etiket – gekte – niet vooral het eigen superioriteitsgevoel? En is dat gevoel niet misplaatst, als ieder mens, ook in onze fel verlichte samenleving, een dagelijkse, irrationele strijd voert tegen zijn eigen schaduwen? Terwijl de wetenschap, zoals in het geval van Van Deyssel, mogelijk nog in de daaropvolgende eeuw zal aantonen dat hij, de strijd, onzinnig was en bij voorbaat verloren? Als Van Deyssel gek was, dan zijn wij het waarschijnlijk ook.

 

Het is al met al een treurige zaak. De mens bezit minder macht over zijn obsessies dan andersom. Soms zijn we een minzame meester; meestal een opstandige slaaf. En slechts als de zon onder de juiste hoek door het venster van ons bewustzijn valt, zien we het, voor we weer kopje-onder gaan in de schaduwen van onze obsessies.

 

We zullen nooit het paradijs betreden.