Het goud in de kluis deel 4 - Laatste aantekenboekje

door Ernest van der Kwast

Ik heb een herinnering aan Henk van Woerden (1947-2005) die ik koester. Een jaar voor zijn plotselinge dood in Ann Arbor, waar hij doceerde aan de universiteit van Michigan, was de schrijver te gast op een literaire avond die ik in Rotterdam organiseerde. Paul Mennes, Erik Jan Harmens, Maria Barnas en Arthur Japin traden ook op. Laatste auteur had kort daarvoor de Libris Literatuurprijs gekregen voor de roman Een schitterend gebrek en was de publiekstrekker. Hij was ook de duurste auteur.

Arthur Japin

 

Bij binnenkomst in de zaal had Japin zijn jas, een fluwelen mantel, aan. Beneden, bij de ingang, was een garderobe, maar daar had hij geen vertrouwen in. Of ik zijn mantel in bewaring wilde nemen? Het was een erg kostbare jas, benadrukte de schrijver. Even later kwam Henk van Woerden de zaal binnen. Hij droeg ook een mantel, maar volgens mij had hij de garderobe niet eens opgemerkt. Zijn voorkomen deed vermoeden dat hij uit een andere tijdzone kwam, en dat een deel van hem nog te paard moest arriveren. Ik vroeg de auteur of ik zijn jas ergens veilig kon ophangen. ‘O, dat hoeft niet, hoor,’ antwoordde Van Woerden. Hij deed zijn mantel uit, vouwde deze op en legde hem onder zijn stoel op de vloer. Even later las hij een fragment voor uit een van zijn boeken. Het kan het prachtige korte verhaal ‘De baai’ uit Notities van een luchtfietser zijn geweest, maar ook een fragment uit zijn roman Ultramarijn, die tien maanden later zou verschijnen. Vier weken na publicatie overleed de schrijver in zijn slaap aan een hartstilstand.

           

In het depot van het Literatuurmuseum ligt het laatste aantekenboekje van Henk van Woerden. Ik mag erin bladeren. Ook mag ik foto’s maken, maar ik mag het notitieboekje niet mee naar huis nemen om het nader te bestuderen. ‘En de foto’s mogen niet op internet worden gepubliceerd,’ zegt conservator Dick Welsink, die mij begeleidt als een cipier. Hij zegt nog net niet: ‘Als je het wel doet, dan volgen er repercussies en word je uit het museum gezuiverd.’ Het zou een loze waarschuwing zijn. Het Literatuurmuseum bezit nog geen kapotgekauwd potloodstompje van mij.

 

Het zwarte schriftje

           

Toch had ik maar al te graag een risico genomen, om in een onbewaakt ogenblik het zwarte schriftje in de zak van mijn vest te laten glijden. Het laatste notitieboekje van Henk van Woerden is tot de laatste pagina vol geschreven. Het puilt uit van de aantekeningen; er staan beschrijvingen in, citaten, adressen, telefoonnummers, ideeën voor hoofdstukken, en ergens halverwege, verspreid over twee pagina’s, de zeer nauwkeurige registratie van de temperatuur gedurende een hele week, op sommige dagen zelfs op vijf verschillende tijdstippen bijgehouden. Het zijn hoge temperaturen, boven de 35 graden Celsius. Ik denk dat de auteur zich in Griekenland bevond. Ultramarijn speelt in een mediterraan land, dat op Turkije lijkt, maar ook Griekse trekjes heeft.

           

Er staan veel aantekeningen in het boekje die betrekking hebben op zijn laatste roman. ‘1e overgang Özlem-Aysel beetje stroef’, staat er op een bladzijde. Even verderop is te lezen: ‘Dood Avram moet naar ander hoofdstuk’. En: ‘bordeelscène vermoeiend’. Het zijn aanwijzingen van de auteur aan zichzelf, waarschijnlijk opgeschreven bij het lezen van een vroege versie. De schrijver als zijn eigen redacteur, streng, onverbiddelijk. ‘Den inneren Schweinehund überwinnen’, staat ook ergens te lezen.

           

Op sommige pagina’s zijn Duitse versjes te vinden: ‘Woopy, o woopy,/ wir fahren nach Kentucky./ Dort auf der Prairy/ da treffen wir die Mary./ Mary war das schönsten Kind/ dass man im Westen find.’

 

‘Zaterdagen vervelen me’

 

Uiteindelijk vind ik ook het goud waarnaar ik op zoek ben. De zuivere zinnen en schitterende beelden. ‘Wanneer zij schreeuwt, rilt zijn buik de broekriem omhoog,’ heeft de schrijver ergens genoteerd. Je kunt de stem van de vrouw horen en de enorme pens van de man zien. Als ze getrouwd zijn, is het geen goed huwelijk. Op een andere plaats lees ik een ingeving – of zou het een beschrijving zijn? ‘Vrouw die dertig zee-egels eet, voor de siësta.’ Ik wil haar zien, ik wil tegenover haar zitten. Ook maak ik in één zin kennis met een andere vrouw. ‘Ze streelde haar voet of het een kat was.’ Of denkt zij ook: ‘Zaterdagen vervelen me’, een korte zin die even verderop staat?

           

Ik denk aan de man die al deze zinnetjes heeft opgeschreven, die zijn jas gewoon op de vloer legde en die het niet gegund was om nog een boek te schrijven. Het volgende aantekenboekje zal blanco blijven.