Het goud in de kluis - deel 1

door Ernest van der Kwast

‘In case of loss, please return to:’ staat er op de eerste bladzijde van mijn aantekenboekje. Het is een voorgedrukte tekst. Daaronder vier regels ruimte. Ik heb mijn naam en adres ingevuld, en ook mijn telefoonnummer. ‘As a reward: $’ staat eronder, gevolgd door een doorlopende lijn. Hier heb ik het getal 100 op geschreven.

Ooit ben ik een aantekenboekje kwijtgeraakt en belde een man mij op. Hij had een zwart, rechthoekig boekje gevonden. Of het van mij was? Ik had het laten liggen in een grand café, waar ik in de middag had gewerkt aan een verhaal. De man was bedrijfsleider en vertelde dat hij het boekje zou bewaren voor mij. Toen ik had opgehangen, stapte ik meteen op de fiets en trapte naar het grand café. ‘Dat is snel,’ zei de bedrijfsleider. Hij liep naar het espressoapparaat en opende een lade van het kastje eronder. ‘Ja,’ zei ik, toen ik de harde, zwarte kaft zag, ‘die is van mij.’ Ik stak het boekje snel in mijn zak. De bedrijfsleider wilde niets van een beloning weten. Het bedrag was belachelijk. ‘Voor zo’n boekje,’ zei hij. ‘En we nemen hier geen dollars aan,’ voegde hij er met een glimlach aan toe.

 

Niets was verloren gegaan

 

Thuis bladerde ik door mijn aantekenboekje, alles stond er nog, niets was verloren gegaan.

Inmiddels bezit ik zeven volgeschreven aantekenboekjes, en ben ik halverwege het achtste. De zwarte boekjes zijn van onschatbare waarde; er staan ideeën in, beschrijvingen, zinnen, dialogen opgepikt in de trein, in kroegen, in Jardin du Palais-Royal in Parijs, waar ik ook een meisje ‘met een melkweg van sproeten op haar armen’ een boek zag lezen. De titel van het boek ontbreekt in mijn aantekeningen, was niet van belang.

‘I am turning the pages in a small, greenish notebook, half the size of a postcard, with a Spencerian Notes printed on the cover,’ schrijft James Salter in zijn memoires Burning the days (1997). Hij heeft het waarschijnlijk gekocht in een Romeins winkeltje nabij de Via Bocca di Leone, in de zomer van 1964. ‘In it are the invariables: people, telephone numbers, restaurants, clubs, places to dance, piazzas, beaches, wines, unique things like the location of the cardinals’ door through the keyhole of which the dome of St. Peter’s could be seen floating above the edge of the garden, exceptional streets, and the names of two Italian whores who worked at the bar of a large hotel—actually one was a South African.’ En dan schrijft Salter: ‘From these ample hints I can almost re-create the period, many dialogues, faces.’

 

Goud of gekrabbel


Oude aantekeningen doorlezen is als struinen door je geheugen, schrijven is herinneringen leven inblazen. Natuurlijk is er ook verbeeldingskracht, kan én mag ik de titel verzinnen van het boek dat het meisje in Jardin du Palais-Royal las. Maar het kan ook gebeuren dat het meisje met de ontelbare sproeten nooit mijn verhalen binnen zal lopen. Niet alles blijkt van waarde te zijn als je bladert door oude aantekeningen, hoe briljant ze ook leken toen je ze opschreef. Het is inspiratie of onzin, goud of gekrabbel in de nacht.

Voor het Literatuurmuseum zal ik komend jaar struinen door de aantekeningen van verschillende schrijvers. Ik zal bierviltjes bekijken, ansichtkaarten, notitieblokjes. Alles waar de schrijver zijn ideeën op heeft geschreven, en nog veel meer: associaties, invallen, ontmoetingen, lijstjes van titels, namen voor personages, citaten uit andere boeken. The invariables.

 

 

Zuivere zinnen en schitterende beelden


Ik begin met de aantekeningen van Adriaan Jaeggi, die in 2008 overleed. Ik heb de schrijver gekend, maar niet goed genoeg om hem een vriend te mogen noemen. Zijn roman Held van beroep (2001) heb ik met veel plezier gelezen, en door zijn mooie vertaling van Swimmer in the Secret Sea ontdekte ik de Amerikaanse schrijver William Kotzwinkle. Dit is waar ik op hoop: inspiratie en goud, zuivere zinnen en schitterende beelden.

 

 

In Pleidooi voor de potscherf (2005) omschrijft Tommy Wieringa de losse aantekeningen van de schrijver als de uitgebeende samenvatting van zijn oeuvre, ‘een bloemlezing van kernzinnen’. Ik ga op zoek naar de kernzinnen die in de kluis van het museum liggen, ergens verstopt tussen talloze manuscripten en voorwerpen. Maar ik ben ook benieuwd naar het telefoonnummer dat Adriaan Jaeggi heeft opgeschreven op een vergeelde ansichtkaart met op de voorkant een kaartende duivel. Misschien begin ik daarmee.