Heraut van de 'heimat'literatuur

door Daan Cartens

Met De Witte schreef de Vlaamse auteur Ernest Claes (1885-1968) een ‘everseller’. De roman werd 127 keer herdrukt en twee keer verfilmd. Tot vlak voor zijn dood bleef Claes zijn uitgevers bestoken met verzoeken om hogere royalties. In patronaatszalen, cafés en schouwburgen liet hij zich door zijn lezers fêteren. Zijn praatzucht en ijdelheid waren onbegrensd. Over één onderwerp zweeg hij: zijn discutabele handelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Literatuurmuseum bezit echter zijn ‘oratio pro domo’.

 

De Witte werd wakker en deed onmiddellijk zijn ogen wijd open. Zijn eerste gewaarwording was: verbazing. Zoo vlak voor zijn oogen de slaapkamer te zien (...) de ouden broeken aan de kapstok tegen den muur. Heel den doodgewonen rommel van de kinderkamer met haar niezigen, onfrisschen zweetreuk van iederen morgen.

 

Zo begint De Witte, de roman naar negentiende-eeuws model die in 1920 verscheen bij de Amsterdamse uitgeverij Wereldbibliotheek, nadat een aantal fragmenten al eerder in tijdschriften was gepubliceerd. Claes refereerde in die aanvangspassage aan de periode tijdens zijn jeugd, zo rond zijn tiende, waarin zijn gezondheid wankel was en hij door doof- en blindheid werd bedreigd. Ernest was het zevende kind uit een Kempisch boerengezin van negen. Zijn vader stierf op zijn tiende. Zijn ongeletterde moeder Theresia Lemmens zorgde ervoor dat haar getalenteerde zoon als enige van het gezin na de jongensschool mocht gaan studeren, daarin gesteund door de streekclerus.

Postzegel bij de 100ste geboortedag van Ernest Claes

 

De Witte volgt het parcours van de jongensjaren van zijn geestelijke vader. De strijd om de hegemonie tussen de kinderen;  kattenkwaad op school en in de Kempische natuur;  het uitdagen van de moeder, die haar boosheid meestal verbergt achter haar warme mededogen voor haar geliefde kroost in het algemeen en haar bijzondere kind met ‘de wittekop’ in het bijzonder. De roman is wijdlopig, maar verraadt een enorm vertelplezier, dat Ernest Claes ook in zijn andere werk uitdraagt, zoals in Kobeke (1933), Clementine (1940) en Floere, het fluwijn (1951) – een meeslepend en prachtig portret van een steenmarter.

 

Echte romans schreef hij nauwelijks, het zijn eerder vertellingen, meestal ontleend aan de locaties en wederwaardigheden uit zijn jeugd, of schetsen over een leven, bijvoorbeeld dat van zijn moeder. Eén scène uit De Witte is voor Claes’leven zeer bepalend: onderwijzer Bakelants straft zijn leerlingen door ze in de hoek te zetten of op te sluiten in ‘het kamerke’. Dat strafhok staat vol met rommel maar herbergt ook de schoolbibliotheek. Daar leest De Witte en ook Claes De leeuw van Vlaanderen van Conscience. Dat boek maakt een verpletterende indruk op Claes, die zich tijdens de meeste van zijn school- en studiejaren omgeven wist door de Franse taal.

Ernest Claes in de jaren dertig

 

De ‘Grote Oorlog’

 

Na zijn studie Germaanse filologie in Leuven en zijn promotie in 1910 op Het proza van Potgieter, maakte hij snel carrière  in flamingantenkringen, hij werd secretaris van de Katholieke Vlaamse Landsbond en vervolgens, tot 1944, ambtenaar van de Kamer van Volksvertegenwoordigers als directeur van het zogenaamde ‘Beknopt verslag’. 

 

De beide wereldoorlogen verliepen voor Claes op een wel heel uiteenlopende manier. Aan de ‘Grote Oorlog’ nam hij actief deel, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd zijn blazoen als dé Vlaamse heimatauteur ernstig besmeurd door zijn discutabele handelen.  Over beide oorlogen publiceerde hij aangrijpende geschriften.

 

Claes was nog maar kort getrouwd met de uit Zutphen afkomstige schrijfster Stephanie Vetter, toen hij onder de wapenen werd geroepen. Hij maakte bij de snelle opmars van de Duitsers het beleg van Namen mee en raakte daar ernstig gewond. Een aantal soldaten werd krijgsgevangen gemaakt en Claes werd een aantal maanden in Erfurt gevangengehouden. Na een uitwisseling met de Duitsers en ook vanwege zijn gezondheidstoestand werd hij vrijgelaten. Via Zwitserland reisde hij naar Frankrijk, waar hij tolk van het Engelse leger werd en secretaris van het Bureau van de Vluchtelingen. Over zijn ervaringen als soldaat en krijgsgevangene publiceerde hij Namen 1914, Bei uns in Deutschland en Oorlogsnovellen, alle verschenen in 1919.

 

Een jaar later brak hij met De Witte door. Dat boek over ‘den heerlijken deugniet’ met z’n blondwitte haar werd een enorm succes en beleefde druk na druk. Claes besefte goed dat zijn kracht als auteur niet schuilde in de verbeelding, maar in zijn niet geringe vermogen als verteller. Tot aan de Tweede Wereldoorlog putte hij uit zijn herinneringen en ervaringen van de ‘gewone mens’ en diens vaak harde strijd om het bestaan. De Vlaamse dichter en criticus Albert Westerlinck  (1914-1984) schreef  in Herinnering aan Claes:

Als mondeling verteller ging er zoveel warmte, sympathie en humor uit van hem, dat men zou kunnen beweren dat hij er een soort orale literatuur op nahield die fel geleek op zijn geschrevene, met dit verschil natuurlijk dat hij zijn werk met veel zorg styleerde. Die grondige overeenkomst tussen de vertellende mens en de vertellende schrijver bewijst echter hoe authentiek, dóór en dóór echt Claes was.

 

Royalties

 

Hoewel hij als ambtenaar geen financiële zorgen kende, bleef hij zich na de verschijning van De Witte met een enorme vasthoudendheid  bemoeien met de inhoud van de uitgeverscontracten en de royalties van zijn werk. Het Literatuurmuseum heeft in zijn collectie de correspondentie tussen Ernest Claes en de opeenvolgende directeuren van Wereldbibliotheek, met de Standaard Uitgeverij de voornaamste uitgever van Claes. Behalve uit korte familiaire opmerkingen bestaan de brieven van Claes uit eindeloze berekeningen waaruit moet blijken dat hij door de uitgever wordt bedeeld met minder dan hem toekomt.

 

Onmiddellijk na verschijning van De Witte schreef hij aan directeur Simons van Wereldbibliotheek: ‘Na uitverkoop van eene oplaag komt het auteursrecht terug aan den auteur.’ Daar ging Simons uiteraard niet mee akkoord.  In 1922 wilde Claes dat de verkoopprijs van De Witte wordt verhoogd van 4 naar 5 francs. Voor een oplage van 5000 exemplaren wilde hij in plaats van 1200 francs één franc per exemplaar. Ook daarmee ging de uitgever niet akkoord. Maar Claes was niet voor één financieel gat te vangen. Tijdens de jaren twintig verminderde de waarde van de franc en Claes eiste daarom een verhoging van zijn royalties.  Om hem mild te stemmen, gaf Wereldbibliotheek nu met een half procent toe.

Nadat De Witte in 1934 voor het eerst was verfilmd, was Claes niet meer te houden: ‘Is de verkoop van De Witte in Vlaanderen nogal gegaan de laatste weken?’ Meteen daarna verviel hij weer in een klaagzang: ‘Me dunkt dat ik aan De Witte wel wat meer had mogen verdienen’ en ‘Zie aan De Witte, dat dan toch voor de WB een groot succes is geweest, heb ik toch eigenlijk niet veel verdiend.’

Jef Bruyninckx in de verfilming van 'De Witte' door Jan Vanderheyden in 1934

 

Collega’s

 

Claes las met groot genoegen uit zijn werk voor, of dat nu in kleine dorpjes was, of in Gent of Antwerpen. Dag na dag zat hij met zijn vrouw in een Antwerpse bioscoop om zich te laven aan het applaus van het publiek dat genoot van de verfilmde Witte. Zijn populariteit onder de Vlaamse bevolking was groot. Claes was een aangenaam causeur en hij coiffeerde zich met allure. Zijn snor was met suikerwater opgekruld tot boven de neusvleugels, de sik zorgvuldig bijgepunt en achter zijn voor die dagen modern brilmontuur keek hij zijn publiek ijdel, nee, welhaast koket aan.

 

Hoe gevierd hij ook was, in literair opzicht bleef hij achter bij verwante schrijvers als Stijn Streuvels en Felix Timmermans. Claes wist dat en vond dat moeilijk te verkroppen. Tijdens de jaren dertig werd voor hem het ‘schrijver-zijn’ belangrijker dan het schrijven. Of dat een verklaring is voor zijn handelen in de daaropvolgende jaren, is de vraag; feit is dat hij zich tijdens de opkomst van het Nazisme steeds bedenkelijker ging gedragen. Die handelwijze heeft hij nadien verzwegen, verdrongen of gebagatelliseerd. Zo ontkende hij  aanvankelijk zijn aanwezigheid tijdens het Internationale PEN-Congres in 1936 in Buenos Aires. Daar verklaarde hij dat hij Hitler wel een ‘geschikte kerel’ vond en nam hij het op voor collega-auteurs die tijdens het Congres niet welkom waren, omdat zij voorstanders van het nationaal-socialisme waren. Over zijn aanwezigheid valt niet te twijfelen: op een groepsfoto zit Claes pontificaal in het midden van de eerste rij!

Internationaal PEN-Congres in 1936 in Buenos Aires. Op de eerste rij vierde van links Ernest Claes en vijfde van links August Vermeylen. Foto: Kanazawa

 

Ernstiger was het vermeende lidmaatschap van Claes van het Vlaamsch Nationaal Verbond, een rechts-radicale Vlaams-nationalistische partij die in 1933 was opgericht. Claes ontkende dat lidmaatschap, maar ook daar waren bewijzen van. Na de dood van oprichter Staf de Clerq verscheen Claes tijdens diens begrafenis, omdat hij ‘toevallig in de buurt was’. Minder toevallig bracht hij aan het graf de Hitlergroet.

 

Geheel in de lijn met zijn vooroorlogse contacten met Wereldbibliotheek onderhandelde Claes met uitgevers van de zogenaamde Nieuwe Orde over de uitgave van oud en nieuw werk tegen de meest voordelige contracten. Ook gaf hij lezingen in Duitsland, publiceerde hij onder het pseudoniem G. van Hasselt verhalen in het verdachte blad De Rommelpot. Al deze activiteiten kwamen hem flink te duur te staan. Claes werd aan het eind van de oorlog evenals duizenden andere van collaboratie verdachte Vlamingen opgepakt en gevangen gezet in de Brusselse St-Gillisgevangenis. De inboedel van zijn huis werd deels vernield. Voordat er een definitief proces plaatsvond, verloor Claes zijn baan en werd hem zijn stemrecht ontnomen.

 

Claes raakte in een diepe psychische crisis en besefte dat hij uiterst opportunistisch had gehandeld. Pas in 1949 werd hij na een voor hem slopend proces vrijgesproken, maar: ‘Het Hof spreekt u dus vrij om dezelfde redenen als de Krijgsraad dat heeft gedaan. De Krijgsraad echter heeft u gewezen op uw lichtzinnig en onvoorzichtig gedrag, uw karakterloosheid, en uw gebrek aan standvastigheid.’ Daarmee kon Claes het doen. Na de oorlog trad hij meer op dan hij schreef, al reflecteerde hij diepgaand op zijn gevangenschap in Cel 269, dat in 1952 verscheen.

 

Oratio pro domo

 

Behalve in zijn Dagboeken heeft Claes zich alleen in een lange brief aan uitgever Jan Winterink van Wereldbibliotheek uitgelaten over het geweld jegens hem. Die brief bevindt zich in de collectie van het Literatuurmuseum en is een buitengewoon interessant document. Het is één exposé van moedwil en misverstand: ‘Na de bevrijding van de Nazi-dwingelandij, brak er in België een ware terreur los. Niet het gerecht, niet het regelmatig gezag, maar het schorri-morrie van de straat wierp zich op al degenen die zelfs maar een schijn van verdenking op zich droegen in contact te zijn geweest met den bezetter.’

Maar dat ik de grootste moeilijkheden van den bezetter zou ondervinden, dat wist ik op voorhand. Ze hebben al gedaan wat mogelijk was om mij te compromitteeren bij het Vlaamsche volk, altijd en overal gebruik gemaakt van mijn naam om te doen gelooven dat ik aan hun zijde stond. (...) Ze hebben mijn naam genoemd als aanwezig op manifestaties en plechtigheden terwijl ik rustig thuis zat. (...) Ik zou teveel schrijven als ik alles moest vertellen. Maar dit kan ik u op mijn eer en geweten verzekeren, mijnheer Winterink, dat ik mij geen enkele daad van politieke medewerking, propaganda, collaboratie of sympathiebetuiging tegenover den vijanden van mijn volk te verwijten heb.

 

 

 

Claes, de opportunist pur sang, eindigde zijn betoog aan zijn uitgever met: ‘Schrijf mij over dit alles geen woord over de gewone post.’

 

En die uitgever schreef bovenaan deze brief, die zonder financiële klachten bleef, even kernachtig als veelzeggend: ‘Oratio Pro Domo Ernest Claes’.