Geschrapt uit Maarten ’t Harts debuut: een gedicht, een sprookje en het travestiemotief

25 november wordt Maarten ’t Hart 75. Zijn debuutroman Stenen voor een ransuil schreef hij vijftig jaar geleden met de hand in zes gekleurde cahiers. Die tonen het schaaf- en schrapwerk dat nodig was om een compacte, knap geconstrueerde roman op te leveren. 

 

Maarten ’t Hart betoogde ooit dat Multatuli’s Max Havelaar ‘een typisch voorbeeld van een eerste roman’ is: ‘Wie voor het eerst een roman schrijft, merkt dat het heel moeilijk is om aan lengte te komen, om een lang verhaal te maken. En wat ga je doen als schrijver: dan stop je er een stukje van dit en van dat, een gedicht en een sprookje in. Iemand als Sötemann wringt zich in allerlei bochten om uit te leggen wat een knap geconstrueerd geheel Max Havelaar wel is. Maar dat is onzin.’

 

’t Hart debuteerde zelf in 1971 met Stenen voor een ransuil. In het eerste deel van de roman maakt de twaalfjarige domineeszoon Ammer Stol kennis met de wat zonderlinge organist Willem Brikke, die hem gratis les wil geven. Er ontstaat een vriendschap tussen leraar en leerling, maar als Brikke zich vergrijpt aan de dan veertienjarige Ammer verbreekt die het contact. In het tweede deel is Ammer student in Leiden en wordt het perspectief verlegd naar zijn vriend Jakob Valler, met wie hij een reis door Engeland maakt. Wanneer Jakob bevestigd wordt in zijn vermoeden dat Ammer homoseksueel is, scheiden hun wegen zich. Het derde en laatste deel heeft de vorm van een dagboek, waarin Ammer beschrijft wat hij tussen 14 december en 1 januari meemaakt als hij tijdens de kerstvakantie terug is in zijn geboortestad en hij na zeven lange jaren het contact met mijnheer Brikke herstelt.

 

In zijn autobiografie Het roer kan nog zesmaal om (1984) is ’t Hart kort over het ontstaan van Stenen voor een ransuil, eind jaren zestig: ‘Ondertussen studeerde ik af en verdween ik in militaire dienst. Daar schreef ik in mijn vrije tijd, die mij overvloedig ter beschikking stond […], een roman: Stenen voor een ransuil.’ ’t Hart toog naar Amsterdam om het ‘min of meer voltooide’ manuscript in te dienen voor de Reina Prinsen Geerligsprijs, maar door twijfel overmand vertrok hij onverrichter zake weer naar huis. Een jaar later waagde hij ‘met het inmiddels grondig bewerkte manuscript’ een tweede, dit keer wel geslaagde, poging. De prijs ging naar Arie van den Berg, maar ’t Hart kreeg een eervolle vermelding en in september 1971 verscheen de roman bij De Arbeiderspers onder het ‘pseudo-pseudoniem’ Martin Hart.

 

‘O, Lanceloot’

Het Literatuurmuseum is in het bezit van de zes gekleurde cahiers waarin ’t Hart de eerste versie van zijn debuutroman schreef. Het handschrift van de auteur is duidelijk en secuur, met maar weinig doorhalingen en aanvullingen. In een interview met Anton Korteweg en Ad Zuiderent voor het tijdschrift Maatstaf naar aanleiding van zijn debuut omschreef ’t Hart zijn manier van werken als volgt: ‘Een verhaal moet zeker in één keer opgeschreven kunnen worden, de eerste vorm. Als die er maar eenmaal is, is de rest niet zo moeilijk meer. Al is het in nog zo kreupel Nederlands, als het er in ieder geval maar een keer uit is.’

Stenen voor een ransuil is terecht geprezen om de geserreerde stijl en de navrante sfeertekening. De sensibele Ammer lijdt onder zijn buitenbeentjesstatus en de moeizame bewustwording van zijn identiteit, een worsteling die in het vestdijkiaanse eerste deel registrerend beschreven wordt en in het derde deel vooral in indringende contemplatieve passages en flashbacks gestalte krijgt.

Bijzonder is dat het verhaal in de cahiers bovenop het homofilie- en pedofiliemotief ook nog een travestiemotief bevatte. In het middendeel van de roman spreekt Jakob Valler zijn voorliefde uit voor de Alpen, ‘grimmig en groots en woester’ dan de Theems-vallei waarin zij zich bevinden. Ammer verkiest ‘zonlicht op een traag stromende rivier in zwak heuvelachtig groen land’:

 

– En dan voor altijd in het gras liggen sluimeren, zoals koning Arthur sluimert in het land van Avalon.

– Het land van Avalon?

– Ja, uit de Koning Arthur verhalen.

– O, God, die ridders. Moet dat? Ik zei daarnet al dat het allemaal flikkers waren…

– Daarom, zegt hij, ik zou er heel goed bij passen.

Hij heeft het gezegd, eindelijk. We zwijgen. Vanaf dit ogenblik hebben we elkaar niets meer te zeggen, denk ik. Het is voorbij. Een aardige jongen, te aardig. 

  

In het manuscript ontbreken de beslissende woorden van Ammer en de gedachten van Jakob in eerste instantie. Ammer vertelt in plaats daarvan een curieus verhaal dat zich, verspreid over het derde en vierde cahier, over 18 bladzijden uitstrekt. Het is het relaas van een houthakkerszoon, die met zijn vader in dienst is van een meedogenloze kasteelheer. Op een dag arriveert er een indrukwekkende ridder te paard: Lanceloot, ridder van de tafelronde van koning Arthur. De jongen moet machteloos toezien hoe eerst de kasteelheer en vervolgens zijn vader in een duel door Lanceloot gedood wordt. Zelf houdt hij in een tweegevecht dapper stand en ze spreken af elkaar een jaar later opnieuw te treffen.

Maar de jongen komt tot het inzicht dat hij Lanceloot niet haat maar bewondert, ja zelfs bemint. Zinnend op een manier om de ridder voor zich te winnen verkleedt hij zich een tijdlang als vrouw, maar in het besef van de ontoereikendheid van deze methode gaat hij op zoek naar tovenaar Merlijn. Nabij diens kasteel stuit hij op een ‘beeldschone vrouw’ die eveneens over toverkracht blijkt te beschikken, want ze stelt voor met hem van lichaam te ruilen. In zijn gedaante van bekoorlijke jonkvrouw weet de jongen Lanceloot vervolgens te verleiden en ze raken in liefkozingen verstrengeld. Hij was evenwel gewaarschuwd: verliest de jonkvrouw haar maagdelijkheid, dan wordt de betovering verbroken.

 

– Lanceloot, zei ik, dat niet.

Maar ik verlangde naar zijn tedere aanraking [doorgehaald: ik verlangde hartstochtelijk naar zijn roede in mij]. Ik huilde toen hij mij nam. Ik voelde de pijn in mijn onderbuik en keek naar hem, naar zijn ogen, zijn ogen.

– O, Lanceloot, zei ik.

De kleur van zijn ogen veranderde. De verrukking, die ik op zijn gezicht [had] gelezen veranderde in verbazing, daarna in ontsteltenis.

– Ik ben bedrogen, schreeuwde hij.

 

Jakob is onthutst: ‘Mij dunkt: heb ik nog andere argumenten nodig voor de abnormaliteit van Ammer Stol?’ Hij reageert niettemin behoedzaam:

 

– Een mooi verhaal, zeg ik, beetje somber, tragisch.

– Ja, zegt hij, zonder mij aan te zien.

– Zeg eens, Ammer, zeg ik nonchalant, zou jij een vrouw willen zijn?

– Soms, zegt hij.

Ik sta op. Ik weet niet wat ik doen zal.

Ammers onthulling van zijn homoseksuele geaardheid liep aanvankelijk in de cahiers dus nog uit op een wijdlopig vormgegeven toespeling op travestieneigingen. Dit motief is in de uiteindelijke roman grotendeels weggeschreven; het keert pas in later werk van ’t Hart terug, in Ik had een wapenbroeder (1973) – het vervolg op Stenen voor een ransuil – bijvoorbeeld, en nog weer later zou het van autobiografische aard blijken toen ’t Hart regelmatig gekleed als vrouw in de openbaarheid begon te verschijnen – wat hij zijn ‘grote gekte’ noemt. ’t Hart verklaarde in het Maatstaf-interview overigens dat hij zelf een tijdlang vreesde homoseksueel te zijn en dat hij die angst in de figuur van Ammer heeft geprojecteerd.

 

Alternatief einde

Stenen voor een ransuil eindigt op 1 januari, wanneer Ammer mijnheer Brikke dood in bed aantreft; de organist is in de nieuwjaarsnacht in zijn slaap gestorven. In de cahiers loopt het verhaal nog door tot minstens 12 januari en bovendien gaat Brikke er een minder vredig einde tegemoet. Dominee Stol heeft op oudejaarsavond ouderlingen over de vloer die er drinkend en leuterend de jaarwisseling vieren. Een van hen vertelt dat Brikke vanuit de inrichting Endegeest naar het academisch ziekenhuis in Leiden is gebracht: ‘kanker, zeggen ze. Net goed voor dat vieze mannetje. Hij was van de verkeerde kant, is ’t niet? Kanker aan zijn …ik. Heb je ervan als je het niet gezond kunt gebruiken, wat ik je zeg.’

Ammer trekt zich geschrokken terug op zijn kamer en vertaalt er een gedicht van Emily Dickinson (‘zoals ik altijd doe in deze situaties’). Ook vindt hij tussen zijn papieren een sonnet dat hij ooit over Brikke schreef, getiteld ‘Bewondering’:

 

Zijn handen bewegen de toetsen stroever
en het pedaal bestaat voor zijn voeten
niet meer. Blij en gespannen als vroeger
wacht ik op het slot. Daarna zal hij groeten.

 

Langs beide lippen gaan speelse groeven
wel strenger dan eens, zijn ogen staan droever

totdat hij snel opziet, als om te beproeven
of zelfs mijn eerbied zo groot is als vroeger.

 

 Nee, zeg ik zacht als hij deze maal
 wijst op zijn plaats die ik innemen moet
 want voor mijn eerbied is mijn spel fataal.

 

 Zacht is het licht op het manuaal.

 Leraar en leerling; slechts zo is het goed.

 Hij speelt opnieuw en gebruikt het pedaal.

Het bruine cahier bevat na een aantal lege pagina’s nog een viertal geïsoleerde fragmenten van wisselende lengte. Ze zijn op een later moment met potlood voorzien van aantekeningen als ‘niet’, ‘wel’ en ‘staat erin’. Het tweede fragment, met datum ‘14 januari’, is mogelijk als alternatief slot van de roman uitgeprobeerd. Ammer bezoekt Brikke in het ziekenhuis en spreekt begripvol met de doodzieke en door aangepraat zondebesef gekwelde man. Het eindigt met de aanblik van een paar kouwelijke spreeuwen in een boom voor het ziekenhuis. ‘De vlakte is leeg, leeg. Hoe kaal ook, ondanks de aangeplante bomen, de spreeuwen, die opvliegen, spoedig neerstrijken, hoe lelijk, eentonig, vlak, somber, [doorgehaald: eenzaam].’

 

In een ander fragment wordt opgehelderd hoe Brikke in Endegeest was beland. Het is een scène die melodramatisch aandoet en die bovendien niets te raden overlaat wat betreft de motieven van de personages. Nadat hij op heterdaad was betrapt met een leerling had Brikke zich in zijn huis opgesloten en gedreigd met zelfmoord. Ammers vader was erheen gegaan, maar Brikke riep: ‘Ga weg, ga naar die zoon van je, die me in de steek heeft gelaten, waardoor dit gebeurd is.’

Ammer voelt zich schuldig, want als hij Brikke niet in de steek had gelaten zou de man zich nooit aan een andere leerling hebben vergrepen – ‘en soms meen ik dat deze schuld mij ook gevormd heeft tot wat ik ben, al zal dezelfde aanleg als bij Brikke wel eerder aanwezig zijn geweest. Ik los mijn schuld in door te zijn zoals hij was.’

 

Het fragment met de potloodaantekening ‘staat erin’ blijkt een voorversie van de sleutelscène, in de roman plaatsvindend op 30 december, waarin Ammer de ransuil met stenen bekogelt. In deze versie is het travestiemotief nog verwerkt. Ammer overpeinst de voorbije jaren en denkt daarbij ook met spijt terug aan het verhaal over de houthakker dat hij in Engeland aan Jakob vertelde.

 

Waarom dat verhaal? Waarom woorden als ‘intieme aanraking’? Waarom heb ik ook het travestie-motief in dat verhaal verwerkt? Travestitische neigingen worden nog minder goed begrepen dan homosexualiteit, geloof ik.

 

In de roman is overigens nog wel een nagalm van dit motief waarneembaar. Ammer benijdt de ransuil om zijn solitaire bestaan: ‘Hij heeft het probleem opgelost. Hij kan jarenlang alleen zijn. Hij heeft zo weinig nodig: de tak van een eikeboom is genoeg. Hij verlangt niet naar een metamorfose, hij is geen zeemeermin die mens worden wil, geen man die vrouw worden wil om te kunnen liefhebben.’ (p. 152)

De fragmenten van 2 t/m 12 januari zijn uiteindelijk bijna allemaal geschrapt of hoogstens in afgeslankte vorm elders in de roman ingepast. Het gele cahier bevat zelfs enige administratieve sporen van dat knip-en-plakwerk, in de vorm van opsommingen van het aantal woorden per hoofdstuk en de overweging of het besluit om het slotdeel fors in te korten: ‘maar 3 bezoeken aan Brikke’ is de limiet die de auteur zichzelf oplegt: ‘1) eerste; 2e) met die matrozen etc; 3e) dood.’

 

Geschrapte monterheid

Lang niet alles wat uit de definitieve versie van Stenen voor een ransuil werd weggelaten bleef definitief achter in de cahiers. ‘4 januari’ bijvoorbeeld beschrijft een bezoek van Ammer aan de kapper, die tevens een oom van hem is. Deze oom Tjeerd wordt door zijn klanten voor een godsdienstwaanzinnige gehouden maar stiekem is hij goed bij de pinken. Dit fragment is later in aangepaste vorm opgenomen als het verhaal ‘Hoofdschedelplaats’ in de bundel Het vrome volk (1974).

Uit het eerste cahier werd een passage geschrapt waarin Ammer zich herinnert hoe hij ooit met zijn grootvader naar de kerktelefoon luisterde toen de oude man opeens zijn ‘vrolijke onbezorgde gelach’ had laten schallen:

 

– Het gaat over de wielrennen, Ammer, de Tour de France. Hoe bestaat het! Luister ook eens!

Hij had geluisterd. Inderdaad: de tour de France. Een gereformeerde dominee over de Tour de France. Samen hadden ze voorzichtig gelachen. Later had hij begrepen dat je niet lachen mocht. Oom en tante waren woedend toen ze uit de kerk kwamen.

– Ze moesten hem schorsen, zei de oom.

– Afzetten, zei de tante.

– Over de Tour de France. De wereldling! Hoe is het mogelijk. Heb je het ook gehoord vader?

– Ja, ja, ik heb genoten hoor. Leuke preek. Weer wat anders. Volgende week misschien een preek over schaken, dat zal aardig zijn.

– Vader, hoe kunt U zo spreken, zei de tante. De Tour de France, zoiets werelds op de preekstoel.

– Het einde der wereld nadert. Christus zal weldra verschijnen op de wolken des hemels, zei de oom.

Dergelijke passages over de kleurrijke eigenaardigheden van het ‘vrome volk’ hebben een lichte toets, ironische distantie en ze ademen de voor de latere ’t Hart zo kenmerkende monterheid. Ze zouden dan ook hebben gedetoneerd in het sobere en sombere Stenen voor een ransuil, waarin de vlucht in de eenzelvigheid en de moeizame aanvaarding van de ‘abnormaliteit’ gepaard gaat met onbegrip en wrok jegens de beknellende geloofsgemeenschap.

De januaridagen in de cahiers bestaan voor een groot deel uit lange passages over muziek en literatuur, respectievelijk in de vorm van gesprekken met ene ‘Marian’ over de esthetische en technische aspecten van de muziek van o.a. Bach en Mozart en van notities van Ammer, die een scriptie over ‘het kind in de literatuur’ voorbereidt, over auteurs als Faulkner, Vestdijk, Van Oudshoorn en Henry Roth. Ook deze hebben de roman niet gehaald, maar aan de genoemde componisten en schrijvers heeft ’t Hart later boeiende essays gewijd. De zes cahiers kunnen zo met enige goede wil beschouwd worden als het ‘oerboek’ van ’t Harts vroege oeuvre.

Was zijn diskwalificatie van Max Havelaar wellicht gegrond in ’t Harts eigen ervaringen bij het schrijven van een eerste roman? In de cahiers is Stenen voor een ransuil – gelijk Multatuli’s roman – immers nog overwoekerd met diverse ‘stukjes van dit en van dat’ en opgelengd met onder meer ‘een sprookje en een gedicht’. Na snoeien en herschikken ontstond een compacte roman, zorgvuldig gecomponeerd en consistent van toon en sfeer – een ‘knap geconstrueerd geheel’.

 

Geraadpleegde literatuur

Martin Hart [= Maarten ’t Hart], Stenen voor een ransuil. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1971.

Maarten ’t Hart, Het roer kan nog zesmaal om. Privé-domein nr. 100. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1984.

Lien Heyting, ‘[weergave van discussie over Multatuli tussen Rudy Kousbroek en Maarten ’t Hart]’. In: NRC Handelsblad, 13 februari 1987.

Anton Korteweg & Ad Zuiderent, ‘In gesprek met Martin Hart’. In: Maatstaf, 24 (1976), afl. 4 (april), p. 57-70.