For a fistful of dollars

door Yannick Dangre

‘Aan de vinder van dit manuscript wordt een beloning van $–100 uitgereikt.’ Deze aantekening staat op de eerste pagina van bijna elk schriftje dat Tommy Wieringa voor zijn roman Joe Speedboot (2005) heeft gebruikt. Een goede grap. Waarom zou de Nederlandse vinder immers ooit in dollars betaald willen worden? En als het schriftje in het buitenland verloren zou gaan, moet het al een enorm toeval zijn dat de vinder het Nederlands machtig is. Misschien is de grap nog wel groter en hebben die schriftjes nooit Wieringa’s studeerkamer verlaten. Kortom, de auteur knipoogt hier vooral naar zijn eigen schrijfproces.

 

Uit zoiets simpels als een notitieboekje valt veel af te leiden over de werkwijze van Tommy Wieringa.

 

Pen en papier of computer

 

De belangrijkste keuze is die van het instrument: pen en papier of computer. Het is opvallend dat Wieringa überhaupt van schriftjes gebruik maakt. De meeste auteurs werken tegenwoordig elektronisch. Leeftijd heeft daar niet noodzakelijk wat mee te maken: er zijn genoeg jonge romanciers te noemen (Bregje Hofstede, Roderik Six) die in interviews verklaarden op papier te schrijven, terwijl een hoop oudere schrijvers maar al te blij is met de digitale zegeningen van deze tijd.

 

Wat een schrijver ook kiest, het is van fundamentele invloed.

 

 

Ten eerste gaat met de hand schrijven langzamer, waardoor er meer denktijd aan voorafgaat. Elk woord op papier is in principe langer gewikt en gewogen – wat overigens niets hoeft te zeggen over de kwaliteit. Elektronisch schrijven heeft dan weer het voordeel van de spontaniteit. De schrijver tikt intuïtief een zin die het op papier misschien niet gehaald had, maar achteraf een voltreffer blijkt te zijn. Om kort door de bocht te gaan: op papier is het schrijfproces in eerste fase ‘doordachter’, op de computer ‘intuïtiever’.

 

Een tweede belangrijk verschil is dat de schrijver ziet wat hij of zij geschrapt heeft. Bepaalde doorgehaalde zinnen kunnen later weer ingevoegd worden, terwijl ze op een scherm meestal voorgoed verloren zijn. Natuurlijk kan ook elektronisch alles opgeslagen worden (bv. door ‘Wijzigingen bijhouden’ te gebruiken of geschrapte delen in een apart bestand te bewaren), maar dat wordt al snel omslachtig. Op papier heb je alles in één oogopslag. Voor de eindversie van een zin en alinea is een computer dan weer handiger, want die staan er ‘clean’ in hun afgewerkte versie. Op papier moet je het soms bijeen gaan puzzelen of alles opnieuw opschrijven. Dat kan al snel chaotisch worden. Als we naar Wieringa’s schriftjes kijken, geven de vele doorhalingen en invoegsels inderdaad een complexe indruk.

 

Het schriftje laat zien hoe echt er gewerkt is

 

Ten slotte geeft de schrijver zich op papier veel meer bloot. Terwijl je op je computer hoogstens wat eerdere afgewerkte versies en een bestand met geschrapte passages overhoudt, zie je in een schriftje echt hoe gewerkt is. Je ziet welke woorden de auteur geschrapt heeft, welke alinea’s de meeste moeite hebben gekost, hoe het boek oorspronkelijk georganiseerd was. Uit Wieringa’s schriftjes kun je bijvoorbeeld met redelijke zekerheid afleiden dat hij pas aan een volgende alinea begint als de voorgaande perfect is (i.t.t. tot schrijvers die alles er in één keer op plempen en daarna aan het geheel gaan schaven). Wieringa gebruikt veel doorhalingen en die worden niet minder naarmate de schriftjes vorderen. Ook vallen de vele dubbele witregels op, die lijken aan te duiden dat alles vóór die witregel ‘in orde’ is.

 

Met de schriftjes van Wieringa krijgen we niet alleen een blik op het eindproduct, maar ook op de weg ernaartoe. De digitale palimpsest dat elke roman op de computer vormt, gaat daarentegen grotendeels verloren.

 

 

 

 

Een epische strijd van $–100

 

Of de auteur met zijn keuze voor het papier per se het verlangen heeft om alles te bewaren, is natuurlijk een andere vraag. Bij Wieringa is dit duidelijk wel het geval, getuige die ironische opmerking op de eerste bladzijde. Hij wil niet alleen zijn tekst voor verlies behoeden, maar ook de drager ervan. Het gaat ongetwijfeld niet toevallig om erg fraaie schriftjes met een vilten kaft. Ook zegt het genoeg dat hij ze nu al aan het Literatuurmuseum heeft geschonken. Wieringa wil zijn literaire worstelingen tegen elke prijs bewaren. Hij is gehecht aan zijn strijd, die we nu allemaal in het Literatuurmuseum kunnen bekijken. Een epische strijd van $–100.