F. Bordewijk, een vertederende schooljongen

door Mohammed Benzakour

3 maart 1945. Een koude, winderige ochtend. Vanaf Belgische en Franse bodem stijgen een paar divisies duchtige bommenwerpers op. De bedoeling is het vermorzelen van in het Haagse Bos verstopte Duitse raketten. Maar alles gaat fout wat fout kan gaan. In plaats van op het Haagse Bos droppen de vliegers hun bommen grotendeels op de woonwijk Bezuidenhout. Eén grote vlammenzee. Oogst: 550 doden plus ’n hele wijk in puin en as.

Over dit drama vind je veel informatie, maar één wapenfeit kom je haast nergens tegen: onder de verpulverde huizen bevond zich óók de woning van de gevierde schrijver F. Bordewijk. Goddank bleven hij en zijn eega (de componiste Johanna Roepman) ongedeerd, maar dat gold helaas niet voor hun privéarchief. De complete bibliotheek (toen al enorm) veranderde in een mum van tijd in ’n dikke roetlaag. Honderden boeken, foto’s, documenten, brieven, manuscripten, typoscripten, notities, dossiers, alles weg, alles foetsie. Alles opgelost in rook.

Een persoonlijk noodlot en een letterkundig drama van formaat.

 

Neiging tot minimalisme

 

Dit bedoel ik niet cynisch, maar mag ik opmerken dat deze tragische woordvernietiging, deze prozaïsche vertoning van pure tekstverdunning, op een bizarre manier naadloos aansluit bij het literaire wereldbeeld van onze Haagse Koning Kaalheid: hoe minder woorden, hoe beter. 

Zijn neiging tot minimalisme ontpopte zich al vroeg. Toen hij in 1916 debuteerde met de puntige gedichtenbundel Paddestoelen (nonsens-versjes), koos hij voor een schuilnaam van niet meer dan twee lettergreepjes: Ton Ven. Korter kan haast niet. En in het kader van een goed milieu begint bij jezelf, snoeide hij later zijn eigen breedvoerige namenreeks Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emil af tot dat luttele Ferdinand. Maar zelfs dat was te veel: Ferdinand werd simpelweg F.

 

Bordewijk, naast schrijver, straatnamenbedenker, docent en advocaat (wat direct spreekt uit zijn ‘advocatenstijl’), groeide uit tot misschien wel de grootste representant van de nieuwe zakelijkheid. Weg met dat softe, lyrische expressionisme, leve het bondige, no-nonsense realisme! Dat is de man ook aan te zien, een gentleman, zoals hij daar zit in z’n fauteuil; stoïcijns, zwartomrande bril, keurig in het pak, pijprokend. Een man van hardgekookte principes bovendien. Zo weigerde hij pertinent om zich door de Duitsers onder druk te laten zetten lid te worden van de toen zeer deftige Kultuurkamer. Liever nam hij een schuilnaam (Emile Mandeau) dan zijn oren te laten hangen naar de bezetter.

 

Critici merken op dat de latere Bordewijk een stuk ‘menselijker’ is geworden. Zijn kille afstandelijkheid en ijzeren neiging tot extreem-stilistische beknoptheid zouden hebben plaatsgemaakt voor personages met psychologische contouren: normale individuen van vlees en bloed. Hij stond zichzelf steeds vaker toe om eens nu en dan lekker met krullen en krinkels uit de bocht te vliegen. Illustratief gelden dan z’n dikkere boeken in de tweede helft van z’n loopbaan, zoals Eiken van Dodona (1946), Noorderlicht (1948), Bloesemtak (1955), Tijding van ver (1961), De Golbertons (1965).

 

Deze kentering in stijl klopt, maar nergens lees ik iets van een verklaring. Mag ik zo vrij zijn? Wel, is het zo gek om te bedenken dat de Bezuidenhout-ramp, de boekverbranding, de verdwijning van duizenden en duizenden woorden, een dermate diep trauma is geweest dat ergens in z’n geest het verlangen postvatte om alle verloren woorden weer terug te winnen? Een inhaalslag? Om voorgoed te breken met die zuinigheid van weleer, om voortaan de teugels lekker te laten vieren – immers, alles zou weleens zomaar weer tot stof en as kunnen vergaan!

Voer voor psychologen. 

Bloesemtak


Hoe dan ook, tegen de achtergrond van het Haagse boekendrama mag het heuglijk heten dat het Literatuurmuseum in elk geval beschikt over het originele manuscript van Bloesemtak. De plot in een notendop: de hoofdpersoon, Anton van Marle, krijgt als architect de opdracht om een kerk te ontwerpen en bij de tekeningen legt hij altijd een bloesemtak neer uit liefde voor zijn vrouw Aurora. Een bizar relaas ontspint zich, met een deels fatale en deels happy end – en waarin Aurora, wat mij betreft, uitgroeit tot een van de onvergetelijkste vrouwengestalten uit onze literatuur. Op elke pagina zindert een onverwoestbaar geloof in de goedheid en liefde, in het bijzonder: de echtelijke liefde. Een prachtige roman met ’n bijzondere plek in Bordewijks oeuvre, maar die gek genoeg in de secundaire literatuur slechts terloops ter sprake komt. 
 

Aan het manuscript (twee hardcover schriften) vallen meteen ’n paar dingen op: Allereerst, een keurig maar volstrekt onleesbaar handschrift dat om een stevige loep schreeuwt. Verder draagt het script een ondertitel: ‘De Jaloezie’. Goddank is deze ondertitel bij publicatie gesneuveld. Ondertitels bij romans werken als moppen met uitleg: niet doen.
 

Maar het meest krasse: beide schriften zijn van kaft tot kaft voorzien van een door F. Bordewijk zélf met de pen aangebrachte paginanummering. De man heeft, vóór hij aan het werk toog, braaf als een schooljongen en keurig als een boekhouder eerst alle pagina’s een voor een omgeslagen en in elk hoekje bovenin minutieus een nummer opgetekend. Dat heeft hij op de kop af 400 keer gedaan! 

F. Bordewijk, ik houd van deze onberispelijke kaalschrijver, ik houd van z’n compromisloze juristenziel, maar het meeste, geloof ik, vertedert mij dat keurige schoolkind dat hij altijd is gebleven.