Elsschot en Ter Braak: hoe Kaas zijn definitieve vorm kreeg

door Thomas Heerma van Voss

Wie zich verdiept in de Nederlandse literatuur tussen de twee wereldoorlogen komt al snel op die ene discussie terecht: vorm of vent. Oftewel: de vraag in hoeverre literaire teksten moeten worden beoordeeld op hun maatschappelijke standpunt of die ‘intentie’. Zogeheten vormisten zijn van mening dat het gaat om de vorm, om de tekst zelf, en niets anders dan dat; de ventisten zijn van mening dat iemands persoonlijke opvattingen en gedachtes moeten doorwerken in zijn schrijven – de vent achter het werk moet zichtbaar worden, kortom, het gaat niet louter om de tekst zelf. Tot de eerste groep behoorden onder meer de dichters Paul van Ostaijen en Martinus Nijhoff. De tweede groep werd verdedigd door E. du Perron en Menno ter Braak, die hierbij gebruikmaakten van het tijdschrift Forum. Maar hoewel de discussie af en toe hevig gevoerd werd en de twee ‘kampen’ in naslagwerken en literatuurgeschiedenissen altijd als strikte tegenpolen worden geportretteerd, is de waarheid vanzelfsprekend minder overzichtelijk. Tot welk van de twee kampen behoorde bijvoorbeeld een van de grootste Nederlandstalige auteurs uit deze periode, de Vlaming Willem Elsschot (1882-1960)?

Willem Elsschot


Hij heeft zich nooit expliciet over de vorm-of-vent-discussie uitgelaten en mede daarom is hij een bijzondere casus voor deze discussie – en dan vooral zijn beroemdste roman Kaas (1933). Om te beginnen werkte Elsschot voor deze roman begin jaren dertig samen met Ter Braak, die hem roemde om zijn stijl, zijn onderkoelde humor en ook de manier waarop zijn persoonlijke leven doorwerkte in zijn verhaal. (Veel van wat Elsschot schrijft over mislukkende handelaars lijkt sowieso geïnspireerd op zijn eigen reclamebureau en tijd als ondernemer.) Ter Braak was ook degene die Elsschots eerste versies las en Kaas in 1933 in vijf delen publiceerde in Forum. In oktober van dat jaar kwam het als boek op de markt. Ook bemoeide Ter Braak zich – naar Elsschots tevredenheid – met de inhoud van het werk: hij schreef Elsschot bijvoorbeeld dat hij vond dat de roman tegen het einde nog aangepast moet worden, omdat hij daar te eenzijdig en daarmee saai werd (iets waar Elsschot het mee eens was, zo liet hij op 10 maart 1933 weten: ‘Die toon van dat begin is niet vol te houden. Het onderwerp laat dat niet toe. Maar het is wenschelijk dat die toon aan ’t slot teruggevonden wordt, met andere woorden dat mijn kaas verpakt wordt tusschen twee moeders.’)

Ook stelde Ter Braak voor om Elsschots reeds in Forum gepubliceerde beschouwing over stijl als inleiding bij Kaas te voegen. Een beschouwing waarop Elsschot al grotendeels was gekomen door zijn briefwisseling met Ter Braak (en auteur Jan Greshoff). Op 23 maart schrijft Elsschot: ‘Ik voel me gevleid met je appreciatie van mijn beschouwing over STIJL. Wat je zegt over “een inleiding tot Kaas” is zeer eigenaardig, want ik moet erkennen dat het studietje onder den invloed – en onder ’t denken aan “Kaas” geschreven werd. Ik zal het misschien door V. Kampen in Kaas doen inlasschen, als een soort Inleiding of Woord Vooraf.’ Blijkbaar voelt hij voor het idee, want vier dagen later denkt hij er al een stuk doelgerichter en concreter over na: ‘Mocht Forum er toe besluiten mijn opstel over stijl te publiceren, dan zag ik het gaarne verschijnen onder den titel KAAS inleiding zoals trouwens door Uzelf voorgesteld.’ 

En zo geschiedt. Wie zich in hun correspondentie uit deze periode verdiept kan niet anders dan concluderen dat Ter Braak een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van Kaas. En dat Elsschot zich aan hem optrekt, en dat Ter Braaks mening belangrijk voor hem is. Een paar maanden later noemen ze elkaar ‘vriend’ in hun brieven en bedankt Elsschot hem ‘dat gij u de moeite gegeven hebt in Kaas door te dringen tot op de wormen’ (7 december 1933). Oppervlakkig bezien zou je daarmee kunnen denken: Elsschot ‘hoort’ bij Ter Braak, dus hij behoort tot de vent-groep, hij is ook van mening dat iemands persoonlijkheid door moet werken in zijn literaire werk, dat dat cruciaal is. 

Maar wat staat er nu in die betreffende inleiding, die zonder Ter Braak hoogstwaarschijnlijk nooit in het boek terecht was gekomen, wellicht zelfs nooit geschreven zou zijn? Precies het tegenovergestelde. De vijf pagina’s tellende inleiding draait om stijl. Een veelzeggend citaat: ‘In de natuur zit het tragische in ’t gebeurde zelf. In kunst zit het meer in de stijl dan in wat er gebeurt. Een haring kan tragisch geschilderd worden, al zit er aan zo’n beest niets dat tragisch op zichzelf is. Daarentegen is het niet voldoende om te zeggen “mijn arme vader is dood” om een tragisch effekt te bereiken.’ En even later schrijft Elsschot: ‘(...)daar ieder woord nu eenmaal een beeld oproept, wordt door de opeenvolging van woorden van zelf een skelet gevormd waar stijl op gesmeerd kan worden.’

 

De stijl, ofwel: hoe iets geformuleerd wordt. Daar gaat het om volgens Elsschot – en ook bij Elsschot. In deze befaamde inleiding herhaalt hij dat voortdurend. Ook in andere (latere) brieven aan Ter Braak en Greshoff legt hij de nadruk op stijl, op hoe iets geschreven is – en met die houding waarvan je zo zou kunnen beargumenteren dat die hoort bij het vorm-kamp. Het vreemde is dat in de correspondentie met Ter Braak dat woord, of het woord ‘vent’, geen enkele keer ter sprake komt; terwijl Ter Braak wel degelijk vond dat er wat mankeerde aan Elsschots boeken, vooral in de laatste fase van diens loopbaan: Ter Braak vond ze te huiselijk. Elsschot ging daar, op zijn beurt, tegenin. (Lees meer


Maar over Kaas hebben ze bij mijn weten nooit een onvertogen woord gewisseld. Het zou mijns inziens terecht zijn, want het is een van de sterkste, in alle eenvoud krachtigst geschreven romans uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Elsschots correspondentie met Ter Braak (en Greshoff) biedt een interessant inkijkje in de totstandkoming van dit prachtboek, dat achteraf gelukkig nooit is gereduceerd tot een bepaald kamp in een theoretische discussie.