Een veelbelovende jongeman

door Thomas Heerma van Voss

Op pagina achttien van het manuscript van W.F. Hermans' De schoorsteenveger / een veelbelovende jongeman staat in getypte letters dat de auto waarin hoofdpersoon Everhard reed 'wel vijfentwintig mijl' haalde. Voor het woord 'wel' heeft Hermans later met de hand drie woorden toegevoegd: 'volgens de snelheidsmeter.' Het is nauwelijks leesbaar, zichtbaar later geschreven, en het lijkt een marginale toevoeging, iets dat menigeen niet zou opvallen. Toch is het een cruciale aanpassing: in eerste instantie leek de constatering gedaan te worden door een alwetende verteller, iemand die los van het personage wist hoe hard er precies gereden werd. Door die snelheidsmeter in te voegen, blijft het perspectief (zoals steeds in dit verhaal) bij het hoofdpersonage liggen. Door die snelheidsmeter, zou je kunnen zeggen, blijft het verhaal consistent.

 

            Weinig zegt zo veel over de werkwijze van een auteur als de wijze waarop hij zijn eigen teksten aanpast. Er zijn genoeg schrijvers die, in de geest van Harry Mulisch, niet meer naar hun tekst omkijken zodra die eenmaal op papier staat: er volgt geen langdurig gepriegel met manuscripten of teksten in aanbouw, in herdrukken hoeven zelfs feitelijke foutjes niet aangepast. Zoals bekend was Hermans (1921-1995) iemand die altijd maar aan zijn teksten bleef sleutelen, zelfs lang nadat ze verschenen waren, op het meest gedetailleerde niveau. Vermoedelijk is dat ook de reden waarom zijn werk me zo bevalt.

 

            Het door hemzelf onder handen genomen manuscript van De schoorsteenveger / een veelbelovende jongeman laat zijn werkwijze al heel helder zien. Het verhaal (volgens sommigen een novelle, het beslaat tientallen pagina's) schreef hij tijdens zijn periode in Canada, tussen 1948 en 1949, en draait om een jongeman die driehonderd dollar steelt en geleidelijk in een mentale crisis raakt. Wanneer Hermans de tekst precies bewerkte, is onbekend. Het verhaal verscheen pas in 1957, alleen nog met de titel Een veelbelovende jongeman, als onderdeel van de (fraaie) bundel Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen; bijna alsof hij al die tussenliggende jaren wilde gebruiken om zijn tekst aan te scherpen.

           

            Deze door Hermans' geredigeerde versie doet aan als een opstel dat door de meest kritische docent is nagekeken. De tekst staat vol doorhalingen, woordverplaatsingen, geschrapte zinnen en alinea's, toegevoegde snelheidsmeter - er is geen enkele bladzijde ongerept gebleven, in drie kleuren blauw heeft Hermans zijn tekst onder handen genomen. En veel aanpassingen zijn van een wezenlijk niveau: zo verandert hij de leeftijd en naam van zijn hoofdpersonage (oorspronkelijk heet hij Archibald, de naam die Mulisch later in diens debuut zou gebruiken), wordt 'Amsterdam' ineens toegevoegd als geboorteplaats, en schrapt hij her en der zowaar hele alinea's, vermoedelijk omdat ze vertragend werken. 

 

            Al met al wekt het de indruk dat het gaat om een eerste correctieronde: zulke aanpassingen doet een auteur doorgaans niet vlak voor een tekst ter per se gaat, zeker Hermans niet. Bovendien ontbrekend er talloze woorden en spaties in het manuscript, fouten die elke kritische lezer meteen opmerkt en die Hermans hier ook allemaal aanstreept.

 

            Toch doet hij in de kantlijn van zijn manuscript niet alleen maar aanpassingen over de opmaak of de biografie van het hoofdpersonage, ook de details verandert hij voortdurend. Halve zinnen worden omgegooid, woordvolgordes, omschrijvingen waar verder niemand over zou struikelen: 'ongelooflijke herrie' wordt 'onbedaarlijke herrie', 'een vehicel' wordt 'een motorvoertuig', 'krankzinnig' wordt 'ziekelijk'. Het zijn wijzigingen die de gemiddelde lezer vermoedelijk niet opvallen, die het verhaal ook niet intrinsiek anders maken - sowieso heeft Hermans, ondanks zijn redactiedrift, in deze vroege versie zijn toon duidelijk al gevonden. Hij weegt weliswaar ieder woord opnieuw, hij wil duidelijk een maximaal effect bereiken met zijn proza, maar de toon van de vertelling verandert niet wezenlijk met zijn aanpassingen. Hermans weet duidelijk hoe hij zijn verhaal wil opschrijven, zijn taal dwingend kan maken, welke kant zijn vertelling op moet.

 

            En ook los van dit verhaal heeft hij duidelijk al in zijn hoofd wat hij met zijn schrijverschap wil. Op de eerste bladzijde van dit manuscript, nog voor een veelbelovende jongeman werkelijk begint, schrijft hij:

 

            De personen en toestanden in deze novelle zijn volkomen ficief.

            Nochtans is het misschien nuttig er met nadruk op te wijzen dat dit verhaal geen z.g. sleutelverhaal is. 

 

            Prachtige zinnen. Alsof Hermans toen reeds, terwijl hij nog nauwelijks gepubliceerd had en weinig bekendheid genoot, wist dat zijn sleutelverhalen nog zouden komen. Alsof hij zijn oeuvre al kon overzien, inclusief het vele werk dat nog geschreven moest worden. Misschien heeft hij om die reden ook alles bewaard. Zelf was Hermans weliswaar fel gekant tegen de openbaring van kladversies of typoscripten van zijn werk, het ging volgens hem louter om het eindresultaat - maar toch heeft hij nooit iets weggegooid, zijn correspondenties niet, zijn dagboeknotities niet, en zijn eigen redactiewerk niet. Waarom? Misschien vond hij het idee toch te aansprekend dat zich na zijn dood tientallen, honderden figuren in die stapels papier zouden verdiepen. Dat ze erover zouden schrijven en discussiëren. Dat ze zijn werkwijze op die manier nog beter zouden doorgronden. Want het geeft op een bepaalde manier veel meer inzicht in iemands werkwijze, zo'n onaffe en aangepaste tekst, veel meer dan een gladgestreken eindversie. Louter kijkend naar de novelle zelf zou ik niet meteen denken dat Een veelbelovende jongeman de opmaat is voor de magistrale romans die Hermans nog zou schrijven; kijkend naar dit bewerkte manuscript, echter, wordt zijn grootsheid en het kritische vermogen dat zijn schrijven zo kenmerkt, al heel overtuigend zichtbaar.