Een reddingsvest

door Ellen Deckwitz

Op een vroege vrijdagochtend sta ik in het Literatuurmuseum oog in oog met een stapeltje papier. Hoewel het er nogal beduimeld uitziet, is het van onschatbare waarde: het gaat hier om een van de dagboeken van de Nederlandse dichter en bioloog Leo Vroman (1915-2014), uit de periode dat hij Japans krijgsgevangene was.

 

Na de oorlog schonk Vroman, die met zijn gezin naar Texas verhuisde, dit dagboekje aan het Literatuurmuseum. Als een boekenlegger zit tussen de pagina’s de paarse band die de oorlogsgevangenen om hun bovenarm moesten dragen. Het dagboek bestaat uit nauwelijks leesbare verslagen waarin af en toe woorden als ‘honger’ en ‘Thimahi’ vallen te ontcijferen. Tussen de lappen tekst zijn grafieken en tekeningen van celdelingen opgenomen. Er zijn talloze recepten neergepend, onder andere voor het maken van walvissoep.

 

Terwijl ik er voorzichtig doorheen blader, bekruipt me het gevoel dat het geen dagboek maar een collage is. Er is van alles in geplakt: een wikkel van Wrigley’s kauwgom. Japanse bevelen die je als gevangene maar beter snel uit het hoofd leerde. Tekeningen waarop een Japanse arts een blanke krijgsgevangene onderzoekt. Eetstokjes (onaangebroken!), Japanse bankbiljetten, een stukje spiegel. Een zelfgemaakte kalender voor het jaar ’43, waarbij de dagen zijn afgestreept als op een to-do-list.

 

 

Ik weet van mijn grootmoeder, die de oorlog ook in het Jappenkamp doorbracht, hoe schaars alles werd. Elk velletje papier waar Vroman zijn handen op kon krijgen , moet een dilemma an sich zijn geweest. Wat vertrouwde je toe aan het zeldzame papier dat verkrijgbaar was? De dichtregels die al tijden door zijn hoofd fladderden? Of toch die ingeving over eendenpopulaties?

 

De eindigheid van de regels

 

Tegenover die papierschaarste moet er een overvloed aan indrukken hebben bestaan. Weg van huis en haard, vrienden, geliefden, tussen vreemden die allemaal hun eigen verhaal hadden. Wat helemaal overdonderend voor een fanatiek bioloog als Vroman moet zijn geweest, is dat hij zich in een nieuwe biotoop bevond.

 

Vandaar misschien het priegelige handschrift, alsof de schrijver zich nadrukkelijk bewust was van de eindigheid van de regels. Terwijl ik het dagboek probeer te lezen, merk ik dat het deels is opgesteld in tekens die ik niet begrijp. Misschien om ruimte te besparen, maar goed; ik word er niet wijs uit.

 

Wat deze ontoegankelijkheid extra frustrerend maakt, is dat ik het gevoel heb Vroman goed te kennen, ook al heb ik hem nooit mogen ontmoeten. Afgelopen jaar heb ik getourd met Mirjam van Hengel, Vromans biograaf. In de vele uren die we doorbrachten vertelde ze honderduit over hem. Ik heb de biografie, Hoe mooi alles, meerdere malen gelezen.

 

Dus hier is een schriftje dat ik bekijk en bekijk en in mijn handen aan alle kanten omdraai alsof het zo’n Rubiks-kubus is. Thuis bekijk ik de scans keer op keer en raak gefrustreerder en gefrustreerder. Ik heb een Steen van Rosette nodig. En gelukkig heb ik haar telefoonnummer.

 

Als de telefoon overgaat, klinkt de kiestoon hoger en krakerig dan normaal. Als Mirjam opneemt, blijkt waarom: ze zit al een paar dagen te werken in Vromans voormalige huis in Texas en is net bezig een aantal objecten veilig te stellen voor… het Literatuurmuseum. Als ik haar vertel over het schriftje, slaat ze een vrolijk kreetje. Ik merk op, nog steeds een beetje gefrustreerd, dat het net een plakboek is van een schoolreis. Van Hengel grinnikt.

 

‘Maar het wás een plakboek. Dat was het maffe aan hem, hij was altijd de onderzoeker, de verslaggever, oorlog of niet. Het zou me niets verbazen als hij dat boekje echt als een soort vakantieboek heeft gezien.’

 

‘Heeft hij je er weleens iets over verteld?’

 

‘Ik weet dat hij alle schriften die hij in handen kon krijgen mee het kamp in nam. Ook het boekje dat jij bekeken hebt. Dat is in die drie jaar door heel Indonesië meegesleurd, en bij hem onder de trui op het schip naar Japan gegaan. Hij heeft tijdens de oorlog, toen er natuurlijk altijd gebrek was, zelfs zijn eten geruild voor schrijfpapier!’

 

‘Wat ironisch,’ zeg ik. ‘Hij ruilde eten voor papier, en gebruikte het vervolgens om recepten voor walvissoep op te schrijven.’

‘Eten wordt in een kamp natuurlijk een obsessie,’ zegt ze. ‘Je hoort van veel kampgevangenen dat men het op een zeker punt alleen maar over eten heeft. Maar goed, Vroman speelde daarmee, en nam voor de grap ook neprecepten op in zijn schriftjes. Dat recept voor walvissoep zou ik niet al te serieus nemen.’

 

De sleutel

 

We praten verder. Als ik op een gegeven moment vraag of zij misschien de sleutel heeft voor het geheimzinnige steno dat Vroman op de pagina’s hanteert, zucht ze.‘Dat is het vervelende. Hij had een eigen soort steno uitgevonden om ruimte te besparen, maar toen we ons er voor zijn biografie over bogen, bleek dat hij er ook geen wijs meer uit kon worden. Hij had geen idee wat er stond!’

 

Dus niemand weet eigenlijk wat er staat. Nadat we hebben opgehangen, staar ik een tijdje voor me uit. Zelfs Vroman kon geen wijs worden uit wat hij over de oorlog noteerde. De kauwgompapiertjes en eetstokjes moeten uiteindelijk zelfs duidelijker herinneringen zijn geweest dan zijn notities.

 

Misschien is het beter om niet te kunnen lezen wat Vroman over de oorlog schreef. Het was immers een verslag van een periode die hij nooit meer hoopte door te maken. Misschien dat hij het wel onleesbaar opschreef uit zelfbescherming. En daarmee is het geen dagboek meer, en ook geen plakboek, maar een reddingsvest. Een geheugensleutel, wie hij was: tekenaar, verzamelaar, verslaggever. In een taal opgeschreven, om na de oorlog snel te vergeten, hoe de oorlog was.

Het volgende verhaal gaat over
De Joodse brief van Abel J. Herzberg
Lees het verhaal