Een Podium bieden

door Philip Huff

Podium is een van de meest roemruchte literaire tijdschriften uit de Nederlandse geschiedenis. Het blad werd in 1944 opgericht in Leeuwarden, met de opbrengsten van de verkoop zou een hulpfonds voor ondergedoken verzetsstrijders opgericht worden – een literair tijdschrift als inkomstenmodel, dat waren nog eens tijden!

 

Hoewel: twee van de oprichters, Gerrit Meinsma en Wim Hijmans, moesten na het verschijnen van twee nummers – die uitsluitend poëzie bevatten – zelf onderduiken. Na de Tweede Wereldoorlog werd de driekoppige redactie – Corrie van der Noord was de derde redacteur – aangevuld en vervolgens vrij snel vervangen: experimentele dichters, met name uit de hoek van de Vijftigers, vulden zowel de burelen als de katernen.

 

De lijst van Podium-redacteuren is lang en vol met bekende namen: Boon, Campert, Hermans, Nagel, Rodenko, Vestdijk… Een redacteurschap bij Podium was zeer gewild: prestige, een publicatiepodium, en, ongetwijfeld, energie en zingeving – iedereen die wel eens een blaadje heeft gemaakt weet hoe leuk dat is. Maar midden jaren vijftig kwam door ruzie, intrige en achterklap, en verzadiging, de klad er een beetje in. De redacteuren Andreus, Borgers, Kouwenaar en Polet vroegen Kees Buddingh’ – van wie de kopij meerdere malen was afgewezen – als relatieve buitenstaander de redactie te gaan leiden. In zijn eentje. Dit terwijl er natuurlijk verscheidene mensen waren die in de redactie wilden plaatsnemen.
Kees Buddingh' in de jaren vijftig. Foto: H. Roest

 

Het museum bezit een correspondentie tussen Kees Buddingh’ en Simon Vinkenoog over dit redacteurschap van Podium. Daarin is een grote rol weggelegd voor voornoemde Gerrit Borgers, man van de letteren, de eerste directeur (toen nog hoofdconservator geheten) van het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, de voorloper van het huidige Literatuurmuseum, redactiesecretaris van Podium en voorzitter van het stichtingsbestuur van het blad – en derhalve een belangrijk persoon.

 

Simon Vinkenoog schrijft Buddingh’ op 7 september 1956 vanuit Parijs dat hij stopt als documentalist bij Unesco en dus Parijs weer verlaat. Hij gaat eerst nog twee maanden naar India en wil in het nieuwe jaar, bij terugkeer in Nederland, graag met Buddingh’ in de redactie van Podium. De eerste zin: ‘BETREFT PODIUM.’ Vinkenoog vermeldt dat hij een vergadering over de toekomst van Podium vanwege de reiskosten aan zich voorbij moet laten gaan. ‘Zelfs als “buitenlander” ken ik geen enkel blad met zoveel letterkundige toekomst in Nederland, de andere bladen vervullen mij met afschuw, e.d.’ ‘Ik weet niet wat je plannen met Podium zouden zijn, indien ze doorgang vinden, ik zou echter voelen voor een redakteurschap en zou me vereerd voelen als ik met jou in de redaktie zou kunnen/mogen komen. Dat hangt van jou af en van de stand van zaken, ik zou zeggen: schrijf eens wat je er van denkt.’

Simon Vinkenoog in de jaren vijftig in Parijs. Foto: Hendrika Riemens

 

In het najaar van 1956 was Vinkenoog achtentwintig jaar oud, had hij enkele dichtbundels en een roman gepubliceerd en de invloedrijke bloemlezing Atonaal samengesteld, maar zijn werk had nog niet de erkenning gekregen die het verdiende. Hij had wel ervaring met blaadjes maken: hij voerde acht nummers lang de redactie over eenmansblad Blurb, dat helaas voor hem niet zo groot of invloedrijk werd als Podium.

 

Buddingh’ schrijft hem 11 september terug: ‘Ik hoop eveneens, dat mijn plannen om Podium levend te houden, zullen doorgaan. In beginsel zou ik er heel veel voor voelen om het met jou samen te redigeren.’ Er zitten wel wat haken en ogen aan: voornoemde vergadering moet nog belegd, de Vijftigers willen een ‘neutraal’ persoon, zijn derhalve bij Buddingh’ uitgekomen en hij weet natuurlijk niet bij welke ‘konflikten’ Vinkenoog betrokken is ‘en of dit, als dat het geval zou zijn, nog gewicht in de schaal zou leggen’. Na de vergadering over de toekomst van Podium zal Buddingh’ hem snel berichten.

 

Die vergadering vond plaats op 9 oktober in Amsterdam en nog diezelfde dag schrijft Buddingh’ vanuit Dordrecht aan Vinkenoog in Parijs:

‘Ik ben een paar uur geleden uit A’dam teruggekomen, waar zaterdag dus de bewuste vergadering is geweest. Ik weet niet of je het resultaat al van Gerrit Borgers hebt gehoord, die je ook zou schrijven, meen ik. Podium is aan mij overgedragen en de bedoeling is dat ik het alleen zal gaan doen. Jouw aanbieding kwam natuurlijk ook ter sprake en er werd bij gezegd dat ik het uiteindelijk zelf weten moest. Toen ik vroeg hoe de huidige redactie erover dacht, bleek dat de meerderheid ervoor was dat ik het blad alleen zou voortzetten, omdat men, met jou erbij, te veel in “de oude toestand” zou blijven en men wilde juist mij nemen omdat ik “outsider” was. Ik heb me toen uit een aantal overwegingen bij dit verlangen van de redaktie aangesloten.’

 

‘Dat hangt van jou af en de stand van zaken,’ schreef Vinkenoog eerder – maar het lijkt erop dat Buddingh’ het eerste –  ‘jou’ –  minder heeft laten meewegen dan het tweede –  ‘de zaken’. (Bijvoorbeeld dat Vinkenoogs poëzie in het verleden nog door de Podium-redactie was afgewezen.)

 

Het zal geen fijn bericht zijn geweest voor Vinkenoog. De toon van zijn antwoord – gedateerd 11 oktober – is dan ook heel anders dan die in de voorgaande brieven: Podium is ‘een zinkend schip, een leeg huis’. Ook verbaast hij zich over de invloed van de oude redactie. Evengoed kan Vinkenoog zien in wat voor parket Buddingh’ zit. Het grote verlies voor Vinkenoog is echter de afwezigheid van een vorm om zijn literaire geestkracht in te gieten: ‘Ook voor mij zou het redacteurschap van een tijdschrift een in-werking-stellen van al mijn aktiviteiten en energie geweest zijn’. Buddingh’ schrijft op zijn beurt begin september al over de ‘Podium-prikkeling’: ‘nu al meer gedichten in de laatste 4 weken dan in de twee daarvoorliggende jaren tesamen’.

Tussen de twee blijft het respectvol en vriendelijk. Vinkenoog vertrekt naar India, waar hij zegt na te zullen denken over Podium en aanverwante zaken. Op 15 december 1956 schrijft hij: ‘Sinds drie dagen terug. Er zijn grote dingen gebeurd in mijn afwezigheid, zomaar vier nummers Podium verschenen en als ik het goed begrijp zijn er twee bij de zetter. Ook kreeg ik een brief van Borgers, waaruit blijkt dat ik je mag helpen. Heet het zo?’

 

De verbazing is wellicht reëel, maar Borgers heeft op de achtergrond inderdaad ingegrepen. Na de vergadering heeft hij Buddingh’ gezegd dat Simon erbij kan. Vinkenoog pakt door: hij herleest de correspondentie, vraagt naar kopij, en wil graag een afspraak maken.

 

Dezelfde dag, in Dordrecht, schrijft Buddingh’ een brief aan Vinkenoog: ‘Hartelijk dank voor je kaart vanuit India,’ staat daar ook nog in. Hij verheugt zich erop met Vinkenoog de redactie te voeren en begint daar direct mee: uitgevers, medewerkers en het abonneebestand worden besproken (een terugloop van 400 naar 370).

Op 17 december een handgeschreven briefje: ‘Beste Simon, onze brieven hebben elkaar gekruist. Ja, er is inderdaad veel te bespreken, wat of in A’dam of in Dordt zal moeten gebeuren. Misschien is het prettiger als jij naar Dordt komt ditmaal.’ Op 28 december vult Buddingh’ in een getypt briefje nog aan: hij wil de in Amsterdam woonachtige Vinkenoog niet alleen in de redactie, maar ook in het stichtingsbestuur. ‘Zeg tegen Borgers dat je ook in het bestuur van de stichting zitting zou willen hebben.’ Dan hoeft Buddingh’ zelf niet elke keer naar Amsterdam te komen voor de vergadering. Blijkbaar kunnen Buddingh’ en Borgers het goed met elkaar vinden.

 

De volgende dag antwoordt Vinkenoog per brief: ‘Wat gaat de post vlug in dit land! Ook ik heb plezierige herinneringen aan mijn bezoek: zowel nuttig als prettig.’ Ook hij somt op wat er zoal bij het blad speelt. Vinkenoog wil graag in het stichtingsbestuur van Podium, een zekere ‘Ad’ (is Ad den Besten, administrateur van het tijdschrift ) leek dat een beetje vroeg, maar maandag wordt er weer gebeld met Borgers – hun beschermheer. Daarna begint de dichter te namedroppen, om zijn toegevoegde waarde nog eens te onderstrepen: Hanlo, Kouwenaar, Schierbeek, Claus, Elburg en Snoek, hij heeft ze allemaal aangeschreven. Praktische aangelegenheden: het is Vinkenoog menens. Status, jazeker, maar ook: liefde voor de literatuur en de energie van het blaadjes maken. Toekomstplannen zijn er ook, natuurlijk: ‘wanneer alles marcheert, kunnen we dan de Podium-reeks niet weer opnemen?’ Hij sluit af met: c’est tout pour le moment.

Als begin januari een briefje uitgaat naar alle medewerkers, staan Buddingh’ en Vinkenoog onder het kopje ‘Redactie Podium’ samen bovenaan. Een dag later volgt een ronkend persbericht aan de Nederlandse en Vlaamse literaire pers: ‘Met ingang van de twaalfde jaargang is de redactie van het tweemaandelijkse literaire tijdschrift PODIUM overgenomen door ondergetekenden. Zij stellen zich voor, nog meer dan totnutoe het geval was, in PODIUM aan te tonen dat er inderdaad een nieuwe, jonge nederlandse & vlaamse letterkunde bestaat die hier haar enig onderkomen vindt. Zij zullen evenmin nalaten hun kolommen open te stellen voor veelbelovende nieuwe talenten.’ Ook zullen er meer essays komen. Waarvan akte.

 

Buddingh’ en Vinkenoog zouden slechts een jaargang (de twaalfde) de redactie voeren over het blad. Bij de dertiende jaargang vormden Kouwenaar, Mulisch, Polet, Jan Rabie en Jan Walravens de redactie. Podium zou nog tot december 1969 bestaan. De samenwerking tussen Buddingh’ en Vinkenoog was dus maar een kort leven beschoren. De twee bleven wel tot het einde van Buddingh’s leven vrienden.