Een irreparabele liefde

door Thomas Heerma van Voss

In de door Arjen Fortuin geschreven biografie van Geert van Oorschot wordt een roemruchte uitspraak van dichteres Hanny Michaelis aangehaald: ‘Geert wilde met alle dichteressen uit zijn fonds naar bed, alleen Elisabeth Eybers dacht dat het ook echt moest.’ De brieven die Eybers (1915-2007) en Van Oorschot (en ook zijn toenmalige vrouw Hillie Munneke) eind jaren vijftig van de vorige eeuw wisselden, geven een beeld van hun band.

Elisabeth Eybers, 1956
Foto: Leon Levson

 

Het begint eenvoudig. In 1956 schrijft Eybers een brief naar uitgever Geert van Oorschot (1909-1987), die ze niet persoonlijk kent maar van wiens gunstige reputatie ze op de hoogte is. Hij heeft haar toestemming gevraagd haar verzen in het Nederlands te bundelen, en zij is duidelijk overweldigd door het verzoek. ‘Seergeagte heer,’ begint ze, waarna ze in heldere, vrij formele taal instemt – en zo gebeurt het: Van Oorschot wordt haar Nederlandse uitgever, een vriendschap is geboren.

 

Al is vriendschap wellicht het verkeerde woord. Misschien moet hun verstandhouding toch vooral gezien worden als de hechte band tussen een bewonderende uitgever en een gevleide auteur; of was er werkelijk liefde in het spel, en zo ja, van beide kanten?

 

Het lastige is dat Eybers in haar brieven aan Van Oorschot, die door de combinatie van haar priegelhandschrift en het Zuid-Afrikaans soms moeilijk te ontcijferen zijn, meerdere keren verwijst naar ontmoetingen in het echte leven waarvan op papier amper of alleen in verhulde termen verslag wordt gedaan. Toch valt er veel uit de epistels af te leiden. Bijvoorbeeld hoe er heel geleidelijk, misschien voor henzelf aanvankelijk nauwelijks merkbaar, enige intimiteit in de correspondentie sluipt.

 

Een goed voorbeeld is de brief die Geert van Oorschot haar op 25 november 1957 schrijft. Opnieuw formeel van toon, opnieuw een zakelijk verzoek, maar ditmaal vraagt hij ook of hij zo nu en dan ‘een brief uit Afrika’ mag ontvangen. Oftewel: hij is niet langer alleen geïnteresseerd in haar werk, maar ook in haar leven. Exemplarisch: ‘Het leven en wonen in uw land lijkt mij zo bijzonder moeilijk en verdrietig door het probleem der gekleurde volken dat ik mij niet anders kan voorstellen dan dat ook u hiermede dagelijks geconfronteerd zal worden.’

 

Eybers antwoordt uitgebreid en zorgvuldig. Zoals ze steeds doet. En ze wordt ook nog eens openhartig, zonder al te grote woorden te gebruiken. In antwoord schrijft ze over de dagelijkse gang van zaken in Johannesburg. Over het uitgestrekte Afrikaanse landschap, over haar dochter Jeanne die ‘ongeveer kwart over twee per bus thuis komt, een speciale bus vervoert de leerlingen’ (6 februari 1959). Een andere keer, niet veel later, schrijft ze over haar echtgenoot, hun kennismaking, hun huidige leven (‘Ik ben lang verliefd gebleven en was bereid om allerlei te “vergeven” zonder om te beseffen in hoeveel opzichte ik hem ook gefaald heb.’).

 

Nee, het is geen taal die zo in de Privé kan, de brieven tussen Geert van Oorschot en Elisabeth Eybers zijn niet geschikt voor mensen die van liefdesgeschiedenissen verwachten dat die in grootse taal worden beschreven, met uitgeschreven scheldkanonnades, intriges of odes. De kracht van deze correspondentie zit hem juist in het kleine. In het onuitgesprokene. Wanneer Eybers verslag doet van haar leven is dat behalve een scherp opgetekend, gedetailleerd tijdsbeeld van Zuid-Afrika ook een teken van een verzwegen verlangen. Verlangen waar ze zich op dat moment misschien nog maar half bewust van is. Stukje bij beetje verandert in deze briefwisseling de toon; het blijft ook om werk draaien, maar dat wordt door het persoonlijke steeds verder verdreven.

 

Ontroerend is het om te lezen hoe Eybers zich aan Van Oorschot overgeeft. Ze gebruikt steeds meer woorden, haar beschrijvingen dijen uit, en ze vindt in hem – en vaak ook in zijn vrouw Hillie, die gewetensvol en betrouwbaar overkomt – blijkbaar iets wat ze in haar dagelijks leven niet vindt. Een andere wereld, letterlijk en figuurlijk, mensen die een ander leven hebben dan het hare, die haar poëzie begrijpen en zelfs (mede) mogelijk maken.

           

Nederland – er ontstaat een affaire, en vrij snel daarna is het klaar. Eybers belandt in een onmogelijke situatie: ze wil geen frictie met Hillie, ze wil openheid, duidelijke taal. In 1960 schrijft ze een prachtige lange brief, de enige die enkel gericht is aan Hillie. Wat de brief vooral ontroerend maakt, is hoe ze de situatie uitlegt zonder iemand als schuldige aan te wijzen. Ze probeert de opgebloeide liefde niet te verdoezelen; ze is vriendelijk voor Hillie en tegelijk niet slijmerig (‘Een van die dingen van Geert die mij het meeste getroffen en ontroert hebben, is zijn diepe en waarderende liefde voor jou.’); ze schrijft liefdevol en tegelijk afstandelijk, ze analyseert Van Oorschot op opvallend heldere wijze (‘Ik denk dat Geert is een te goed mens is om een goede dichter te zijn.’) en loopt ondertussen niet impliciet weg voor haar daden (‘Nu ik zeker weet dat jij mij niks verwijt, heb ik de vrijmoedigheid om je dit te vragen: waarschuw me, geef me een wenk, als je de indruk krijgt dat ik dingen van hem moeilijker maak.’)

 

In diezelfde brief staat de passage die de band tussen Eybers en van Oorschot samenvat, de climax van hun correspondentie:

 

In mijn vorige brief aan jou heb ik gesproken over mijn vriendschap met Geert omdat ik niet het dubbelzinnige woord “liefde” wilde gebruiken. Ja, zeg maar liefde, op zesduizend mijl afstand komt het er niet zo precies op aan hoe je een gevoel beschrijft. Ik heb de vermetelheid gehad om verzen te laten drukken waarin ik geen poging heb gedaan om mijn gevoelens weg te steken.

 

Waar het citaat van Michaelis een zeker plichtsgevoel vanuit Eybers impliceert en een gewoonte van Van Oorschot, wekt de correspondentie tussen dichteres en uitgever juist het beeld van een hechte persoonlijke band die op den duur zo intensief wordt dat de gevolgen irreparabel zijn.

           

Niet lang na de brief aan Hillie is Eybers’ band met Nederland alleen maar hechter geworden. In 1961 verhuist ze naar Amsterdam, waar ze de rest van haar leven blijft wonen. Uitgeverij Van Oorschot ruilt ze in voor Querido. Van de tijd bij haar eerste Nederlandse uitgever blijft dan, naast enkele vroege uitgaven, alleen nog deze verzameling ontroerende, ingetogen brieven over.