Een eenzame bezigheid

door Bertram Mourits

Op 24 oktober 2018 is het tien jaar geleden dat Ankie Peypers overleed. In literatuurgeschiedenissen staat haar naam meestal slechts in een opsomming van vrouwelijke dichters die bij elkaar op een hoop worden geveegd omdat ze wat anders deden dan de Vijftigers. Maaike Meijer schreef over de dichters van ‘De grote melancholie’, van wie Peypers er een was, en introduceerde zo een beeld met wat meer nuance. Maar als prozaschrijver wordt ze nu nauwelijks nog erkend en wie nu een boekhandel binnenloopt, krijgt nul op het rekest: er is niets leverbaar. Dat is overigens niet zo heel ongebruikelijk voor schrijvers van haar generatie – canon en commercie staan altijd in een los verband – maar bij Peypers speelt er nog iets anders. Misschien was ze haar tijd net wat te ver vooruit.

Het is een gedachtespel zonder consequenties, maar toch: stel dat Peypers haar kleine roman Tussentijds tien jaar later had voltooid, was de kans op weerklank dan groter geweest? In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw debuteerden meerdere succesvolle vrouwelijke schrijvers: Hester Albach, Hannes Meinkema, Mensje van Keulen, Doeschka Meijsing, Laurie Langenbach: sommigen van hen identificeerden zich met de tweede feministische golf, anderen werden gerekend tot het nieuw-realisme; sommigen werden succesvol, anderen zijn vergeten. Hoe dan ook: in de jaren zeventig vonden ze hun publiek met boeken waarin de vrouwelijkheid van de personages net zo vanzelfsprekend was als de mannelijke hoofdpersonages in de dominante literatuur van de eeuwen daarvoor.

 

Dat was nogal een verandering. En, al benoemde niemand  dat met zoveel woorden, het is in de kritiek te zien. De grote namen in die jaren waren schrijvers als W.F. Hermans en Harry Mulisch die hun boeken dichttimmerden met thema’s en motieven die allemaal tot doel hadden een wereldbeeld over het voetlicht te krijgen (niet dat mannelijke auteurs daarop een monopolie hadden: voor Hella S. Haasse en Anna Blaman gold dit al evenzeer).

 

Maar dat betekent dat boeken die een meer impressionistische structuur hebben,  en waarbij niet steeds valt te construeren waarom je leest wat je leest, het moeilijker hadden. Daarover ging voor een deel de kritiek op Tussentijds uit 1966. Een speels, springerig boek waarin in het ene hoofdstuk wordt teruggekeken op het andere. Waarbij verhalen beginnen, hernomen worden, geëvalueerd, afgebroken en in elkaar overlopen. Je zou nu geneigd zijn zoiets ‘postmodern’ te noemen, maar die term werd eind jaren zestig in Nederland niet gebruikt.
 

In de Leeuwarder Courant vermoedde Anne Wadman dat Peypers een maniertje had gevonden om een paar losse verhalen die ze nog had liggen, aan elkaar te plakken. Hij vond het boek ‘vaag’, de verhalen ‘weinig omlijnd’ en meende dat het geheel ‘zweeft’. Een passage over ‘onvolledigheid’ gebruikt hij om aan te geven dat het boek volgens hem niet af is.

 

Johan van der Woude had in Nieuwsblad van het Noorden minder problemen met de structuur; hij omschrijft het boek als ‘een fragmentarisch verhaal, dat haar heeft achtergelaten met een restantpartij van zichzelf, gestold in de matrijs van haar volwassenheid.’ Hij herkent in de fragmentatie een symptoom van wat ‘jonge schrijvers’ als Reve, Hermans en Blaman bezighoudt: het gebrek aan ‘herkenbare realiteit en psychische zekerheden’.

 

Ronduit vernietigend is Ab Visser in De Telegraaf – zelfs positieve termen weet hij denigrerend in te zetten: ‘Soms denk je even: dat is lief, eerlijk en duidelijk. Dan weer denk je: hoe pretentieus en aanstellerig. Men kan Ankie Peypers geen talent, geen beeldend vermogen ontzeggen, maar als geheel leest men dit verhaal lichtelijk geïrriteerd.’

 

Het boek werd in 1988 herdrukt. Dat is het jaar waarin Renate Dorresteins Het pepertuum mobile van de liefde verscheen en drie jaar voordat Connie Palmen De wetten zou schrijven: twee boeken die een natuurlijker habitat voor Tussentijds hadden gevormd. Die herdruk verscheen bij een feministische uitgeverij – en dat is eigenlijk een beetje jammer, want daarmee valt het zoeklicht op (de vaak geestige) passages waarin de man als ‘stakkerd’ wordt neergezet.

Dat mannen stakkerds zijn, is mij nu wel duidelijk. Toch heb ik altijd in hen geloofd; de Schepper heeft hen, tussen alle kruipend gedierte, zo beweeglijk en verticaal gemaakt, zo uitgesproken blikvangend, dat Hij hen zeker niet minder bekoorlijk bedoeld heeft dan de heidehagedis, de zeeanemoon.


Maar het is niet slechts het luchtige, feministische aspect dat Tussentijds de moeite waard maakt; dat is juist die meanderende stijl, de manier waarop de verteller terugkijkt op haar verleden, met evenveel begrip als distantie. Tussentijds is een Bildungsroman in kort bestek, waarin de verteller terugkijkt, zonder zelfverwijt maar met enige melancholie – en met spijt over wat ze niet is geworden.

 

Er was overigens wel één recensent die waardering wist op te brengen voor het boek, niet toevallig de enige vrouw die het besprak: Nel Noordzij in Elsevier van 1 april 1967. Ze voorspelt in haar bespreking al meteen (zij het ‘met bloedend hart’) dat het geen groot commercieel succes zal worden. En ze weet ook waarom: er gebeurt niks in dit boek, en er zijn geen modieuze thema’s (‘Benadeeld joods of conflictueus lesbisch wil ze ook maar niet worden’). Nee, het ‘behandelt de zelfreflectie’ en er wordt ‘verstild gefilosofeerd over de achtergrondmotieven van de vrouwelijke belevingssfeer’.

 

 

Het is buitengewoon jammer, dat wij de primitiefste vormen van vrouwelijke identiteitsspeurtochten in de literatuur al zo lang en zo makkelijk leerden afdoen met ‘damesbladbellettrie’, dat daar het onderscheidingsvermogen voor wat er nu gaande is, onder heeft geleden; mogelijk meer dan onze literatuurkundigen vermoeden.


Gezien het succes van schrijfsters die enkele jaren later zouden gaan debuteren, juist met boeken waarin ‘vrouwelijke identiteitsspeurtochten’ vaak een grote rol spelen, ben ik geneigd Noordzij gelijk te geven.

 

En dat was Ankie Peypers ook. Bijna anderhalve maand na de publicatie van die recensie, schreef ze een brief aan Noordzij. Ze schreef op 10 mei 1967 dat het haar gewoonte niet is om op kritieken te reageren, maar deze reactie ‘heeft me zo goed gedaan, dat ik het U toch graag wil zeggen’. Niet alleen vanwege het positieve karakter, maar ook omdat Noordzij de vinger legde op ‘precies dat waarom het ging’.

Daarnaast geloof ik dat dat wat U zegt over het vrouwelijke onderzoek naar identiteit (en het afdoen daarvan) van enorm belang is. Alleen: als er al weinig mannen zijn die dat beseffen, het lijkt me dat er nog minder vrouwen zijn die er notie van hebben.


De tijd voor dat besef zou een paar jaar later weliswaar breed doordringen, maar daarom was schrijven in 1967, zoals Peypers haar brief afsluit, ‘een eenzame bezigheid’.