Een door en door gespleten persoonlijkheid

door Dick Welsink

In de tweede helft van oktober 1867 verscheen, in een oplage van maar liefst 3500 exemplaren, Snikken en grimlachjes, een bundel ‘academische poëzie’ van Piet Paaltjens. De iets meer dan 100 bladzijden tellende dichtbundel bevat een inleiding, getiteld ‘Levensschets’, ondertekend door F.H.

 

Achter deze initialen verschool zich François HaverSchmidt (1835–1894), op dat moment predikant in Schiedam. Voordat hij daar in juni 1864 werd beroepen had hij in Foudgum en Den Helder dit ambt al bekleed. Hij was geboren in Leeuwarden en studeerde van 1852 tot 1858 theologie in Leiden waar hij veel vrienden voor het leven maakte en in hoog aanzien stond: in 1856 werd hij quaestor (penningmeester) en het jaar daarop praeses collegii (voorzitter van het bestuur) van het Leidsch Studenten Corps.

In december 1855 verschenen in de Studenten-Almanak voor het jaar 1856 de eerste gedichten, negen stuks, van Piet Paaltjens. Deze  publicatie werd voorafgegaan door een door F.H. ondertekend ‘Voorberigt’. Hier begon het spel (of was het bittere ernst?) met de dubbele identiteit. HaverSchmidt doet voorkomen alsof hij in de zomer van 1853 kennis had gemaakt met Paaltjens en zijn werk, en dat deze hem had gevraagd na zijn dood te willen optreden als de bezorger ervan: ‘Om hem niet te beleedigen, gaf ik, half spottende met zijne naargeestigheid, toe.’ Nu, enkele jaren na zijn raadselachtige verdwijning, ‘op den avond van den 9den October 1853’, tussen twee biljarttafels in de sociëteit (hiermee laat HaverSchmidt in het midden of Paaltjens werkelijk is overleden) geeft hij gehoor aan dit verzoek.

 

In zijn ‘Levensschets’ in Snikken en grimlachjes komt HaverSchmidt terug op die mysterieuze verdwijning:

 

Opmerkelijk is het, dat PAALTJENS, ruim acht jaren na zijn verdwijning uit Leiden, voor het eerst weergezien is aan de noordkust van Friesland, en dat men hem nu onlangs heeft ontmoet in de zoogenaamde Friesche wafelkraam op de wereldtentoonstelling te Parijs.

 

Aan dat weerzien aan de noordkust van Friesland voegt hij een lange voetnoot toe waarin een gedetailleerde beschrijving van die gebeurtenis wordt gegeven, zogenaamd afkomstig van een bekende van HaverSchmidt, maar in feite van zijn eigen hand. Hier is dus sprake van drie personen: HaverSchmidt zelf, zijn alter ego Piet Paaltjens en een derde niet met name genoemde figuur.

In die hele ‘Levensschets’ wordt overigens een spel gespeeld met het genre van de biografie. Neem alleen al de eerste alinea:

 

Er zijn levensgeschiedenissen, die zich uiterst moeielijk laten schrijven. Vooreerst, dewijl ze zoo aandoenlijk zijn, dat men er zich niet mee kan inlaten, of men moet het uitsnikken van ontroering; en dan, omdat ze bijna geheel in den nacht der vergetelheid begraven liggen. – Van al zulke levensgeschiedenissen is die van PIET PAALTJENS de onbeschrijfelijkste.

 

Wat is verdichting, wat werkelijkheid in deze schets vol hyperbolen, hooggestemde observaties, ontnuchterende uitspraken? Als lezer blijf je in grote verwarring achter.

 

Na de verschijning van Snikken en grimlachjes bleef Piet Paaltjens met regelmaat opduiken in het leven en werk van HaverSchmidt. Op Sinterklaasavond 1870 ontving hij een op 4 december gedateerde brief van Paaltjens van Schiermonnikoog waarin deze vertelt hoe het nu met hem gaat. In 1880 publiceerde het Leidse studentenblad  Vox Studiosorum diens lange gedicht ‘Reünie’, in 1889 zagen nog twee gedichten van zijn hand het licht, geschreven bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Leidsch Studenten Corps. HaverSchmidt was ook een zeer succesvol voordrager van proza. In die voordrachten voerde hij Paaltjens regelmatig op.

 

HaverSchmidt ging dus heel ver in de afsplitsing van zichzelf van de dichter Paaltjens. Hoe ver weten we nu het Literatuurmuseum sinds kort, dankzij de gulle weldoener Max Oosterhuis, de eigenaar is geworden van een ongedateerd velletje papier, een kostbaar kleinood, afkomstig uit de handschriftenverzameling van Pauline Delprat (1845–1906), met daarop de handtekening van Piet Paaltjens met een door HaverSchmidt ondertekende verklaring dat deze ‘voor echt [wordt] verklaard door zijn boezemvriend en Executeur testamentair’. Inderdaad lijkt die als twee druppels water op de handtekening onder het portret van Piet Paaltjens dat voorin Snikken en grimlachjes afgedrukt staat.

Tijdens het leven van HaverSchmidt verschenen er zes drukken van Snikken en grimlachjes, de laatste in 1889. Vijf jaar later, op 19 januari 1894, nu 125 jaar geleden, maakte hij een einde aan zijn leven door zich op te hangen in zijn bedstee. Sinds die datum is van Piet Paaltjens niets meer vernomen.