Een charmante, speelse en nogal atypische uitgever

door Thomas Heerma van Voss

Het levert vaak de spraakmakendste anekdotes op in biografieën van uitgevers of redacteuren, al is het maar omdat er ook vrijwel altijd enig giswerk bij komt kijken: hoe wordt een al publicerende auteur verleid over te stappen naar een andere uitgever? Dient de eerste stap te worden genomen door de auteur? Mag de uitgeverij auteurs ongegeneerd polsen, of moet die zich aan bepaalde codes houden om collega-uitgevers niet voor het hoofd te stoten – en wanneer slaat enthousiast contact leggen door in vrijmoedig pleiten voor een transfer?

 

Het zijn vragen waarover redacteuren flink van mening verschillen en waarbij de etiquette bovendien verandert: ik hoor redacteuren vaak – en soms zelfs met een merkwaardige trots – zeggen dat ze graag zelf auteurs benaderen, maar dit was enkele decennia geleden nog een stuk minder gangbaar: de meesten zagen actief acquireren als de (enigszins verwerpelijke) uitzondering. Toch stapten ook toen auteurs over, en kwam het ook toen voor dat redacteuren verlangden naar de diensten van iemand die bij een concurrent publiceerde. 

Thomas Rap

 

Eind jaren zestig is Thomas Rap (1933-1999) bijzonder gecharmeerd van Leo Vroman (1915-2014), die dan al een gelauwerd dichter is. Rap heeft net een uitgeverij opgericht – die hij naar zichzelf heeft vernoemd – en zal een reputatie opbouwen als charmante, speelse en daarmee nogal atypische uitgever. Nu, in deze begindagen, wil hij het liefst dat Vroman voor hem schrijft. Alleen: diens werk verschijnt dan al jaren bij het grote Querido, dus wat kan Rap hem bieden? Hij besluit het feit dat zijn uitgeverij pas net bestaat niet te maskeren maar juist in te zetten als troef. Op 17 maart 1967 schrijft hij Vroman: ‘Mijn kleine – op beperkte, bibliophiele uitgaven gespecialiseerde – uitgeverij zal binnenkort beginnen met het uitbrengen van poëzie op affiches. Het zal een kleine serie worden, met als eerste G.K. van het Reve.’ Er is een bescheiden budget beschikbaar, de illustrator Peter Vos heeft al toegezegd voor de ‘getekende encadrering’. De vraag van Rap laat zich raden: wil Vroman ook meedoen met zo’n gedicht op een affiche?

Thomas Rap. Foto: Chris van Houts

 

Vroman gaat direct akkoord en het kleinschalige project wordt voltooid in een tempo dat in het hedendaagse boekenvak nauwelijks nog voorkomt; binnen een paar maanden is de affiche in kleine oplage gedrukt en verspreid. Op 7 augustus 1967 stuurt Rap opnieuw een brief naar Vroman in New York, waar de dichter woont: Rap is alweer bezig met een andere serie, een reeks geïllustreerde werken, en wil daarin een boekje van Vroman opnemen. Maar Rap is zich bewust van de eventuele complexe situatie die dat kan opleveren. Aan het einde van zijn brief schrijft Rap: ‘(...) maar ik wil in geen geval knagen aan uw kont(r)akten met Querido.’ Wat hij natuurlijk toch doet met zijn verzoeken. Weer reageert Vroman opmerkelijk snel: ‘Wat een klein boekje met prentjes betreft, dat lijkt me wel leuk – b.v. iets abstracts voor kinderen – maar dat zou Querido inderdaad goed moeten vinden, en ik zou er ook nog over moeten denken.’

 

Querido

 

Hoe meer brieven de twee uitwisselen over mogelijke projecten voor Rap, hoe nadrukkelijker Querido aanwezig is, als de spreekwoordelijke elephant in the room. De toon blijft beschaafd, zelfs wanneer de twee het niet met elkaars eens lijken – zoals wat betreft het inlichten van Querido, wie moet dat doen, wanneer? Rap wil vooral een toezegging van Vroman dat hij meer publicabel werk zal leveren. Op 5 januari 1968 – Vroman en Rap hebben elkaar dan nog nooit gezien – schrijft Rap hem opnieuw over het te maken geïllustreerde boekje.

 

Zou in deze serie mogelijk ook sprake kunnen zijn van L. Vroman, en dan bijvoorbeeld
'Het geheime leven van Winnie the Pooh', of 'Stalma of De Grote Trek Naar Het Zuiden'? Alhoewel ik het koude mes van Querido in mijn rug voel ben ik toch zo brutaal u dit te vragen: Tenslotte maakt Querido geen hele kleine boekjes.

 

Hij gebruikt dezelfde tactiek als bij het eerste contact: benadrukken dat hij iets anders doet dan Vromans vaste uitgever, en zichzelf tegelijkertijd nederig (‘hele kleine’) en kwetsbaar opstellen (‘het koude mes’ – alsof hij een slachtoffer is) – terwijl hij natuurlijk een zakelijk verzoek heeft voor Vroman, daar lijkt hun hele band op neer te komen: dat Rap iets van Vroman wil maar dat niet openlijk kan vragen. Zoals steeds antwoordt Vroman razendsnel. Op 11 januari: ‘Vraag vooral aan Tine van Buul of Reinold K. (Querido) of ze er geen bezwaar tegen hebben. Ik denk het niet.’ 

 

Het klinkt simpel, maar toch valt dat Rap, zich ongetwijfeld bewust van de gevoeligheden tussen uitgevers, zwaar. Ofwel hij zoekt helemaal geen contact met Querido, ofwel het verloopt moeizaam. Op 12 april 1968 schrijft hij Vroman: ‘U kunt zich misschien voorstellen hoe moeilijk het is dit te doen. Ik ben nu maar zo brutaal U te vragen of U Querido niet gewoon mede kunt delen dat U een zeer klein verhaal in een zeer klein boekje bij een zeer klein uitgever gaat doen. U ZOUDT MIJ ZEER VERPLICHTEN.’

 

Er zijn auteurs die door zo’n aansporing – misschien van schrik, misschien vanuit het gevoel dat ze ondermijnd of gestuurd worden – niets meer met de afzender te maken zouden willen hebben. Vroman, echter, wil de vrede bewaren. Zo staat hij ook bekend. En dus zoekt hij, als een diplomaat die een slepend conflict wil beëindigen, contact met de twee partijen die tegenover elkaar staan in één en dezelfde brief. Waarmee hij de enigszins precair geworden situatie niet uitvergroot, maar naar wederzijdse tegemoetkoming zoekt. En, wat nogal merkwaardig is gezien de context, de schuld bij zichzelf legt. ‘Ik heb geloof ik jullie bedoelingen een tijdje geleden niet duidelijk aan elkaar doorgegeven. Nu heb ik een briefje van 12 april van Thomas Rap met een veel concreter voorstel voor een verhaal van maar 3000 tot 6000 woorden bij een serie tekeningen die al gemaakt wordt en waarvoor vijf schrijvers al iets hebben beloofd. Omdat dit een formaat zou zijn dat niet door Q. wordt gebruikt, en een stuk zou worden dat toch later ook wel in verzameld of zo zou kunnen worden genomen, en omdat het een leuk voorstel is om b.v. over "hebzucht" te schrijven. Dat zou ik dat toch wel graag doen. Willen jullie elkaar dus als je belieft eens opbellen en aardig vinden? Daar is heus niets aan.’

 

Vredelievendheid

 

Die laatste zinnen. De vredelievendheid. De zelfstandigheid. Het verklaart wellicht waarom Vroman amper over geld schrijft in zijn hele correspondentie met Rap: doorgaans, als auteurs door andere uitgevers worden verleid, is geld een van de eerste zaken die ter sprake komen – onverklaarbare hoge voorschotten, soms duizelingwekkende bedragen. Vroman vraagt er pas naar als hij zijn werk goeddeels voltooid heeft, en zelfs dan is hij duidelijk schouderophalend. Over de vergoeding van zijn boekje: ‘10% is best hoor, wanneer dat beschikbaar is.’ En later, wanneer het gaat over het verzenden van enkele exemplaren: ‘Misschien kan je de kosten van een tegoed afhouden of heb ik dat niet meer?’

 

Wat hem helpt is zijn bijzonder hoge werktempo: Querido gaat uiteindelijk akkoord met zijn werk voor Rap, er uit ervaring ook op vertrouwend dat dat niet al te lang in beslag zal nemen. En inderdaad, in sneltreinvaart schrijft hij niet alleen het kleine, geïllustreerde boekje voor Rap, dat een experimentele en fictieve agenda uit de verre toekomst wordt, getiteld Agenda uit het jaar 2000 (1968), maar ook nog een lang verhaal over ‘Hebzucht’ voor de bundel De zeven hoofdzonden (1969). Het verleidt Rap om Vroman te schrijven dat hij ‘diep geroerd’ is ‘door de snelheid waarmee U de gevraagde dingen uitvoert, pluim, applaus, griffel’ (17 juli 1968), en sluit af met ‘een oprechte groet aan neerlands snelste auteur’. 

Op dat moment hebben ze elkaar nog steeds niet ontmoet. Wie weet hebben ze dat hun hele leven wel niet gedaan. Want na deze kortstondige samenwerking richt Vroman zich weer op schrijfwerk voor Querido. Er gaan nog wat vriendelijke berichten over en weer (eind 1968, Vroman: ‘Uitstekend! Allerkeurigst, mooi gedrukt, de paginaas ingebonden met uiterst onverfoeibare orientatie’), ze schrijven over een eventuele ontmoeting die niet komt. En dan, tamelijk abrupt en nog steeds zonder een spoor van verbittering, stelt Vroman op 13 april 1970, in zijn laatste brief aan Rap: ‘Ik heb (...) besloten om geen nieuwe gedichten in Holland meer te publiceren, schrijf er op het ogenblik dan ook zelden een en stuur dat dan naar een of andere kennis. (...) geen gedonderd met die stomme critici en geen gezeur in het algemeen.’ Gelukkig hield Vroman zich niet aan dat voornemen. Gelukkig bleef hij gewoon schrijven, met een van de langste loopbanen uit de Nederlandse letteren tot gevolg, van begin tot eind voor dezelfde uitgever – met, eind jaren zestig, een kortstondige flirt met een klein, beginnend fonds waarvan de oprichter allang overleden is maar dat nog steeds bestaat.