Een aaneenschakeling van teleurstellingen en andersoortige ongenoegens

door Roman Helinski

Ierland’ staat boven dit handschrift van Bob den Uyl. Maar in Een zwervend bestaan, de bundel waarin het is verschenen, is die titel weggevallen en is sprake van ‘hoofdstuk 12’. Het manuscript telt zes pagina’s en is een aaneenschakeling van teleurstellingen en andersoortige ongenoegens.

 

Zuchtend, steunend en mokkend waagt het alter ego zich in den vreemde. ‘Welbeschouwd is hij een soort Gerard Reve die zichzelf niet opsloot, maar de deur uitgaat,’ schrijft Jos Palm in de recensie van de biografie van de auteur in Trouw in 2009. Een aardige typering. Het verhaal ‘Ierland’ is een echte Den Uyl, waarin de ik naar een volgens de eigenaar prettig optrekje in Ierland gaat om eens goed tot rust te komen, maar de reis brengt slechts kommer en kwel.

Dat begint al op de boot. In een terzijde van liefst een hele pagina, tussen haken geplaatst, merkt Den Uyl op dat hij zeer benieuwd is of de Ieren nu werkelijk zulke sterke drinkers zijn. Op de boot is het meteen raak: een dronken Ier waggelt over het dek en vlijt zich uiteindelijk op Den Uyls schoot neer. Ongemakkelijkheid troef. Ook als hij voet aan wal zet stuit hij vrijwel onmiddellijk op een dronkenlap. Den Uyl doet beide situaties uitvoerig uit de doeken, om vervolgens doodleuk te concluderen dat het wel meevalt met die dronken Ieren; uit niets blijkt dat ze meer drinken dan bijvoorbeeld de Engelsen.

Den Uyls ironie werkt verbluffend, wat hij doet is geestig en op zeker niveau ontwrichtend. De anekdotes staan ogenschijnlijk los van het eigenlijke verhaal, dat huisje waar hij naar op weg is en de wederwaardigheden die hij daar zal beleven, maar de opeenstapeling van ter zake doende en niet ter zake doende anekdotes vormen de kern van het werk van Den Uyl. Ze zijn de inkt waarmee hij schrijft.

Het handschrift uit het archief van het Literatuurmuseum komt niet exact overeen met het afgedrukte verhaal in Een zwervend bestaan. Het manuscript dat ik in handen heb breekt twee pagina’s eerder af. Tussen haken heeft Den Uyl nog kriebeliger dan normaal genoteerd wat er verder moet gebeuren. Slordig is het handschrift van Den Uyl dus sowieso wel. Bovendien is er geschreven met drie verschillende pennen; zwart, blauw en goudkleurig. Dit doet vermoeden dat Den Uyl geen al te gestructureerd werker was. Zou hij stukken van dit verhaal ter plekke in Ierland hebben geschreven, met de pen die op dat moment voorhanden was?

Op de laatste pagina’s van het manuscript zijn veel doorhalingen geplaatst, een woord is weggekruist als een afgeroepen bingonummer. Hier en daar staan in de marge termen ter vervanging. Deze wijzigingen zijn stuk voor stuk terug te vinden in Een zwervend bestaan.

Opmerkelijk trefzeker schrijft Den Uyl in zijn kladversie. Weliswaar voert hij later dus correcties door, maar het verhaal stáát in de eerste versie al.

De volgorde lijkt vast te liggen, en hoewel de chronologie in Ierland leidend is, en de verhaalvolgorde daardoor wordt bepaald, toont dit aan dat Den Uyl heel gericht schreef, buitengewoon goed aanvoelde welke anekdotes hij wél en niet wilde gebruiken. Hij schrijft kortom niet lukraak over wat hem overkomt, maar voert een uitgekiende selectie. Met zorg stuurt hij zijn alter ego daarmee van de ene bescheiden ramp in de andere en dit levert zéér onderhoudend proza op. Zo blijkt, aangekomen bij het huisje, allereerst de sleutel spoorloos te zijn. Den Uyl schrijft:

Het ontbreken van de sleutel schokte me niet. Als iemand me verzekert dat iemand absoluut de sleutel heeft van huis B, dan neem ik al gelijk als vaststaand aan dat deze sleutel in het bezit is van figuur C, die zojuist voor drie maanden naar Marokko is vertrokken.

Deze pessimistische instelling blijkt terecht. Als Den Uyl zich op aanwijzing van een bende enthousiaste kinderen via een ladder toegang heeft verschaft tot het huisje, blijkt al snel dat de waterleiding kapot is. Hij moet hiervoor naar een nabijgelegen waterval, waarnaar hij dan uiteindelijk maar op weg gaat, lopend door planten ‘voorzien van dorens, stekels en weerhaken, die werden bevolkt door wolken horzels van het soort dat door je kleren heen steekt’. Met natte voeten bereikt hij ten slotte de waterval, maar ook daar gaan de zaken niet zoals hij wenst.

Op dit punt gekomen overwoog ik ernstig van de hele onderneming af te zien, mijn reis door Ierland voort te zetten en het huis het huis te laten. Maar toen ik mijn lichamelijke toestand overzag, mijn natte schoenen en broekspijpen, de horzelsteken, de ontvellingen en de pijnlijke spieren, besloot ik dat het moeilijk erger kon worden.

Het duurt hierna nog twee dagen voordat het water in orde komt, en eindelijk kan de in het vooruitzicht gestelde rust zijn werk gaan doen. Het manuscript is dan ten einde en tussen aanhalingstekens noteert Den Uyl nog enkele aanwijzingen voor wat kennelijk de allerlaatste versie van het verhaal moet zijn. Hij noteert de komst naar het huisje van een Hollandse stel. Inderdaad duikt dit koppel op in Een zwervend bestaan. En gelukkig maar. Het stel voegt zich bij Den Uyl in het rustige huisje, en heeft een voorkeur voor paardenritjes:

Nu, dat vond ik best, het huis was groot genoeg en het waren aardige en ondernemende mensen, al had de man, lector in de sociologie of iets dergelijks in Amsterdam of Utrecht, de vermoeiende eigenschap overal iets bijzonder of vermeldingswaardigs mee te maken: als hij een paar turfjes in de kelder ging halen, kwam hij terug met lange verhalen over zijn wederwaardigheden op dit tochtje ondervonden, en men zal zich dus kunnen voorstellen welke opzienbarende voorvallen hem op hun ritten te paard overkwamen.

Het verhaal eindigt in stijl met de zoveelste lullige anekdote, waarin de schrijver met de heer uit bovenstaand citaat in de weer gaat met de opnieuw haperende watervoorziening. In het manuscript had Den Uyl aanvankelijke een ander einde in petto. Als laatste zin staat daarin de volgende, gelukkig gesneuvelde dooddoener: ‘Reizen, geloof me, dat verruimt de geest.’