De wereld van Nico Scheepmaker

door Thomas Heerma van Voss

Twintig dozen zijn het. Manuscripten, foto’s, een plakboek, audio-opnames, dertig handschriften, aanzetjes tot gedichten, ongepubliceerd werk, enkele korte persoonlijke correspondenties en een stortvloed aan uitgeknipte Trijfel-stukjes (een dagelijkse rubriek voor de GPD-kranten). Dit is min of meer wat er van Nico Scheepmaker in het Literatuurmuseum bewaard wordt en hoewel er van andere auteurs opvallendere voorwerpen in bewaring zijn (grote attributen, typemachines, schilderijen, noem maar op), merkte ik dat ik hierin bijzonder geïnteresseerd was. Die grote hoeveelheid documenten: wat viel er allemaal in te ontdekken? Wie was die Scheepmaker, die naam die ik al mijn halve leven hoorde maar die me eigenlijk nog steeds niet veel zei?

 

Als Bob den Uyl tegenwoordig genoemd wordt, gaat dat meestal over de naar hem vernoemde prijs voor het beste reisboek; Biesheuvel is sinds enkele jaren niet alleen meer de naam van een veelgeprezen Nederlandse auteur, maar ook die van de jaarlijkse bekroning voor de beste verhalenbundel in de Nederlandse taal. En zeg je Nico Scheepmaker (1930-1990) dan zullen zeker jonge lezers – ikzelf in elk geval – vanzelf denken aan de prestigieuze Nico Scheepmaker Beker, die jaarlijks wordt uitgereikt voor het beste Nederlandse sportboek. Maar valt in al die dozen met zijn nalatenschap op de een of andere manier terug te vinden waaraan Scheepmaker zijn grote reputatie als sportjournalist te danken heeft?
Foto: Cor Stutvoet


Cruijff, Hendrik Johannes, fenomeen

 

Het vermoedelijk bekendste boek dat Scheepmaker schreef gaat over Johan Cruijff. Het verscheen toen de verlosser gewoon nog voetbalde en kreeg de fraaie titel Cruijff, Hendrik Johannes, fenomeen (1972). Het is een boek dat een bijna mythische reputatie heeft gekregen, vooral door Scheepmakers kenmerkende aanpak: hij schreef de verlosser niet in samenspraak met Cruijff, hij interviewde de legendarische nummer 14 niet eens, Cruijff kreeg geen cent van de opbrengsten en verzette zich zelfs tegen de uitgave van het boek. Nee, Scheepmaker voer zoals hij dat altijd deed volledig zijn eigen koers. Vestigde de aandacht op kleine details die anders onbelicht bleven, deelde zijn inzichten op grond van wedstrijdanalyses en Cruijff-beelden die hij herbekeek, ontleedde heel analytisch Cruijffs spel en geen moment hield Scheepmaker zich daarbij in: hij stelde dat Cruijff in die en die belangrijke wedstrijd ondanks zijn doelpunten helemaal niet zo goed had gespeeld, hij ging zelfs zover dat hij voorspellingen voor de toekomst deed, bijvoorbeeld dat op het WK 1974 de finale Nederland tegen Duitsland zou plaatsvinden en dat Cruijff de winnende zou maken (een voorspelling die op de goal na zou uitkomen).

 

In Scheepmakers nalatenschap bevindt zich een multomap, volgeplakt met krantenknipsels rond het verschijnen van Cruijff, Hendrik Johannes, fenomeen en, zo wordt me in het Literatuurmuseum verteld, vermoedelijk door Scheepmakers echtgenote zo secuur bijgehouden. Interessant aan zulke archiefstukken is dat ze vaak veel meer tonen dan in eerste instantie het geval lijkt. Deze map laat twee dingen heel duidelijk zien: ten eerste hoe dit inmiddels klassieke boek geleidelijk zijn huidige reputatie kreeg. De eerste krantenstukken zijn zonder uitzondering opvallend kort en gaan hoofdzakelijk over de tweespalt tussen kamp-Cruijff enerzijds en Scheepmaker anderzijds.

 

Het speerpunt daarbij: de vraag of het wel mag, zo’n uitgave als deze, het commerciële gebruik van iemands naam die niet heeft meegewerkt. Er wordt gedreigd met rechtszaken. Een publicatie in het Algemeen Dagblad (1972) – waarin Cruijff onvergetelijk wordt getypeerd als ‘de Amsterdamse zakenman die in het voetballen een aardige bijverdienste heeft gevonden’ – maakt duidelijk dat Scheepmaker wel degelijk inbond, ondanks zijn no-nonsensehouding: enkele cartoons, foto’s en zelfs een paar hoofdstukken werden op de valreep uit het boek verwijderd.

Geleidelijk, zo laat de map zien, worden de stukken over fenomeen uitgebreider en vooral inhoudelijker: het gaat over de kracht van het boek, Scheepmakers originele benadering, over de literaire merites. En dat is het tweede wat opvalt, ook los van deze multomap, in bijvoorbeeld de stukken over ander werk en in persoonlijke brieven: hoe literair Scheepmaker wordt beoordeeld en geanalyseerd, hoezeer men tegen hem opkijkt.

 

Volgehouden ritme

 

Behalve sportboeken schreef Scheepmaker ook columns, waarin hij veelal de aandacht vestigt op specifieke details uit sportwedstrijden die anderen ontgingen, en honderden gedichten. Al in 1956 – een ander hoogtepunt uit deze rijke nalatenschap – ontvangt hij een brief van Heere Heeresma, die Scheepmakers poëzie prijst wegens het ‘volgehouden ritme’ dat ‘zo volwassen aandoet, goddank dat je verder niet vervalt in modieuze acadacabra [sic]. Ik begrijp trouwens (opnieuw) niet waarom je eigenlijk zo weinig welluidende kritieken gekregen hebt. Misschien doordat je meeste verzen zo natuurlijk zijn dat ze een makkelijk prooi worden voor de critici die niet graag hun vingers branden maar toch een woordje willen schrijven.’

 

Een fraai collegiaal teken van vertrouwen, dit epistel, en zulke brieven en briefjes zijn er meer te vinden in het archief: er is een ingetogen, maar wederzijds waarderende correspondentie met dichter Jan Kal, er is kort contact met De Groene Amsterdammer en Het Parool (met cheques), er is een bewonderend stuk van Tim Krabbé, die onderstreept hoe goed Scheepmaker observeerde en hoe zorgvuldig hij schreef. (Dit werd de inleiding van de postuum uitgegeven bundel Over alles.)

 

Een energiek en scherp schrijver

 

Er valt veel dergelijks te vinden in en te citeren uit deze nalatenschap, dit is een ideaal oeuvre om je gedurende een lange middag in te verdiepen, ook omdat de brieven en beschouwingen worden afgewisseld met het nodige primaire werk – poëzie bijvoorbeeld, zowel ongepubliceerd als gepubliceerd. De verzen van Scheepmaker vallen op door hun helderheid en toegankelijkheid, soms zijn ze vrij ontroerend, al klinkt er regelmatig ook iets kneuterigs door dat in zijn non-fictie-werk ontbreekt. Bijvoorbeeld in het – op een roze vel uitgetypte – gedicht waarmee hij de geboorte van zijn eerste dochter vierde (mei 1975).

Je zag zo blauw als maar een kind kan zijn

wanneer het pas een luttele sekonde

zijn weg naar licht en leven heeft gevonden.

En god, wat zijn die kleine handjes klein!

Je leek bepaald misvormd, maar dat was schijn. 
Je was nog eventjes ‘verkeerd verbonden’,

met moeder Anna in haar mooiste stonde,

maar je zat heel snel op de goede lijn.

 

Daar lag je met je bijna zeven ponden

(een halve meter lang): het kostte pijn,

bloed, zweet en tranen, maar 't was ook fijn

je stem voor 't eerst te horen, die bij monde

van je verworven vrijheid kon verkonden:

Scheepmaker Sara, cherubijn

 

Het heeft natuurlijk iets flauws om een dergelijk gedicht, duidelijk door een concrete aanleiding ingegeven, decennia later kritisch te lezen – en je kunt net zo goed volhouden dat ook hierin de uitzonderlijke levenslust in Scheepmakers taal naar voren komt. Want dat adjectief is uiteindelijk toch wel het meest van toepassing op zijn werk, dat duikt steeds op wanneer iemand over of aan Scheepmaker schrijft en het is ook het voornaamste wat ikzelf denk als ik zijn nalatenschap heb doorgespit: wat een energiek en scherp schrijver, wat een rijkdom aan observaties en ideeën.

 

Wanneer het vandaag de dag om Nederlandse sportboeken gaat, en voetbalboeken in het bijzonder, klinkt er binnen literaire kringen algauw het nodige dedain door: de boeken van Michel van Egmond winnen meerdere keren de NS Publieksprijs, maar, zo luidt de vaak gehoorde klacht, veel stellen ze niet voor; het zijn voornamelijk lange reportages en interviews, geschreven volgens een min of meer vast protocol en in overeenstemming met de hoofdpersonen. Misschien is een dergelijk dedain onvermijdelijk als het gaat om populaire boeken die steevast opduiken boven aan de bestsellerlijsten. Misschien, nee waarschijnlijk klopt het ook wel dat veel van de huidige sportboeken meer een vast patroon volgen dan de boeken van Scheepmaker. Hoe het ook zij, een prijs ontvangen vernoemd naar zijn springerige en rijke werk, ongeforceerd aanschurkend tegen dat wat als literair wordt gezien, lijkt me – inderdaad – een van de grootste complimenten denkbaar voor een sportjournalist. Een oeuvre om jezelf op de prettigste manier denkbaar in te verliezen.