De verstilde nadagen van Heere Heeresma

door Thomas Heerma van Voss

‘Meneer Holman, breek me de bek niet open.’ Dat schrijft Heere Heeresma op 7 mei 1997 aan zijn jongere collega Theodor Holman. Het vormt een van de slotzinnen van een vrij uitgebreide, fel getoonzette brief, die Holman pas ruim een jaar later toegestuurd krijgt: op 27 juli 1998 stuurt Heeresma namelijk een tweede brief aan Holman, vrij kort en een stuk neutraler van toon: ‘(…) hierbij een brief die u niet onder ogen is gekomen. (…) PS de bijlage is een kopie van een kopie.’ Bijgevoegd zijn Heeresma’s anderhalve pagina verdediging en verontwaardiging uit 1997, waarover hij nu (in 1998 dus) overigens opmerkt dat ‘de kwestie’ ‘niet meer recent’ is.

 

Gevestigd auteur

 

Waarom iets sturen over een kwestie die niet meer recent is? De concrete aanleiding: een uitzending van de Tros Nieuwsshow waarin het stuk ter sprake kwam. En waarom in eerste instantie een brief schrijven die niet verstuurd wordt? Tja, daarover valt een minder eenduidig antwoord te geven, maar Heeresma schreef Holman overduidelijk omdat hij daar op dat moment dwingende behoefte toe voelde. Omdat hij gekrenkt was, omdat hij het idee had dat hij zijn eer moest verdedigen. Dat laatste deed hij strikt genomen niet doordat hij de brief onverzonden liet – de enige tegenover wie hij zijn eer dus verdedigde was hijzelf – maar het kan moeilijk anders of het luchtte Heeresma op om dit te schrijven, om voor zichzelf op te komen waar niemand anders dat deed.

De situatie: Heeresma (1932-2011) gold medio jaren negentig al decennia als gevestigd auteur. De onvermijdelijke nadagen van zijn loopbaan waren op het moment dat hij Holman schreef weliswaar nog niet aangebroken, tegelijk was het duidelijk dat zijn grootste successen achter hem lagen: nadat hij reeds in de jaren vijftig was gedebuteerd, had hij in de jaren zestig en zeventig meerdere goedverkopende en positief ontvangen werken uitgebracht. Met name zijn roman Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) kreeg in sommige (provo)kringen een cultstatus, terwijl ook talloze andere van zijn verhalen verfilmd, veelvuldig herdrukt en geprezen werden. Daarna bleef Heeresma doorgaan met schrijven – dat deed hij tot zijn dood – maar zo breed gedragen als aan het begin werd zijn werk niet meer. Erg? Niet per se. Er wordt doorgaans wat lacherig of neerbuigend gedaan over auteurs die hun vroegste successen niet evenaren, terwijl het in werkelijkheid vrijwel geen schrijver lukt om decennialang op hetzelfde niveau te presenteren of dezelfde verkoopcijfers te halen.

 

Maar zo’n afname in publieke interesse en eigen productiviteit kan iets schrijnends krijgen wanneer de auteur ten koste van alles wil bewijzen dat hij wel actief is, wel presteert, wel verkoopt. Enter de brieven aan Holman (1953), die in 1997 ook al enkele decennia actief was als gerespecteerd schrijver – van romans, van verhalen, en van journalistiek werk. Zeker dat laatste is hier van belang: in april 1997 publiceert hij in Het Parool het artikel ‘Schrijf nog eens een roman, Heere.’ Een van Holmans argumenten voor die polemische kop: ‘In de jaren tachtig is er volgens mij iets met Heeresma gebeurd dat de biografen later maar moeten uitzoeken. Hij verdween uit beeld. Net of zijn schrijversschap [sic] was afgelopen. (…) Had hij last van een “existentiële crisis”? Was hij ziek? (…) Ik heb geen idee, maar op een of andere manier wilde er geen inkt meer uit de pen komen.’

Het zijn vermoedelijk deze zinnen geweest die Heeresma het meest stoorden. Daar reageert hij in elk geval expliciet op – ze vormen de bron van zijn verontwaardiging, en dus de aanleiding voor zijn schrijven. Heeresma’s brief aan Holman kun je lezen als een langgerekt verweer tegen de centrale aanname van Holman. Grotendeels feitelijk van toon, helder geschreven, maar juist de feitelijkheid van het geheel, de her en der ternauwernood onderdrukte weerzin tegen Holmans woorden, toont aan hoezeer Heeresma erdoor gegriefd is. En hoe graag hij wil aantonen dat hij ondanks dat Parool-stuk wel degelijk een actief schrijver is.

 

‘U schrijft (…) dat ik in de jaren tachtig uit het beeld verdween en geeft daar-zowaar [sic] veronderstellende wijze enige redenen voor. En daar u tevens pleit voor een biografie over mij, maak ik ú alvast wijzer.’

 

Het is haast onmogelijk om hierin niet de stem van een beledigd auteur te horen, iemand die orde op zaken wil stellen. Niet voor niets noemt hij Holman in zijn openingsalinea een ‘treif ventje’, waarvan het eerste woord een even zeldzaam als minachtend adjectief is: niet in de haak, niet-koosjer. Verder bedient Heeresma zich vooral van opsommingen om de angel uit Holmans verweer te halen. ‘In die tien jaar verschenen, verdeeld over een 10-tal titels, tachtig (80) herdrukken. Een verstandig auteur, beseffend dat de wanden van de boekhandel niet van rubber zijn, is in zo’n hoos voorzichtig met het uitbrengen van nieuw werk.’

 

Voortaan toch maar beter informeren

 

Aardig geformuleerd, maar inhoudelijk een nogal vreemde bewering: een auteur van wie veel oud werk wordt uitgegeven moet dus maar weinig of zelfs niets nieuws meer uitbrengen. Zou Heeresma dat werkelijk zelf geloofd hebben? Moet al het nieuwe dan van ongedebuteerde auteurs komen? Waarom zorgde Heeresma er dan niet gewoonweg voor dat er minder verzamelbundels en herdrukken verschenen, een punt dat Holman in zijn Parool-stuk overigens ook maakte? Tussen neus en lippen door bekent Heeresma dat er inderdaad maar één nieuw boek van hem is verschenen in de jaren tachtig – ‘waarvan maar één druk mocht verschijnen. U zult begrijpen dat het hier wel om een heel grote druk ging’ – en daarna gaat hij over op een opsomming van allerlei andersoortige Heeresma-uitgaves: er verschenen nog eens acht bibliofiele boekjes, er werden twee boeken in vertaling uitgegeven, er waren twee verfilmingen, Heeresma leverde veertien (!) keer een bijdrage aan themabundelingen en deed naar eigen zeggen ‘vele, vele voordrachten’. ‘Dus: hoezo uit het beeld verdwenen? (…) al deze informatie [was] ook voor u bereikbaar via de documentatiedienst van het Letterkundig museum. Voortaan toch maar beter informeren.’

Dit laatste citaat illustreert Heeresma’s verbolgenheid wederom, blijkbaar kan of wil hij die maar niet van zich afschudden. Ook in het vervolg van de brief sluipt er telkens dedain in zijn woorden – meestal tegen Holman, en anders toch wel tegen anderen uit het boekenvak: want de meeste uitgevers en redacteuren, zo kan Heeresma ook niet nalaten om te schrijven, maken er toch ook maar een potje van (sommige zijn zelfs ‘ronduit oplichters’). Dit verklaart naar eigen zeggen waarom hij bij zo veel verschillende uitgeverijen heeft gezeten. ‘Als het er op aan komt is een auteur voor een uitgever niets meer dan een toeleveringsbedrijf. En de rest is komedie.’ Daarbij: Heeresma’s oeuvre bestaat, aldus Heeresma zelf, ‘uit sterk tegengestelde fragmenten en wat de ene uitgever past, past de ander niet’. Anders gezegd: hij doet niets verkeerd, hij schrijft gewoon zo breed dat hij wel met meerdere partijen in zee moet gaan.

 

Het veelzeggende einde van Heeresma’s brief: ‘Er zou nog wel wat meer op te merken zijn over uw artikel (…) Maar dit moet voldoende zijn.’ Inderdaad, het is voldoende, het is meer dan voldoende zelfs, Heeresma gebruikt nogal veel tekst om te reageren op Holmans stuk – maar inhoudelijk gaat hij er nauwelijks op in. Welbeschouwd bevestigt hij Holmans voornaamste punt – Schrijf nog eens een roman, Heere – door te stellen dat hij, Heeresma dus, inderdaad veel met randzaken bezig is en dat hij daarom geen nieuwe fictie uitbrengt, dat dat elkaar anders in de weg zou zitten. Een merkwaardige stelling, die Heeresma onmogelijk werkelijk geloofd kan hebben. Misschien verklaart dat waarom zijn woorden zo fel zijn. Waarom hij zich überhaupt geroepen voelde om te reageren – en waarom hij, op de valreep, aanvankelijk toch besloot de brief niet te verzenden.

 

Vadermoord

 

Verdere correspondentie tussen Heeresma en Holman bleef hoogstwaarschijnlijk uit. Maar deze brief is op zichzelf al interessant omdat hij toont hoe kwetsbaar de gevestigde, gelauwerde Heeresma op latere leeftijd was – of hoe aangevallen hij zich in elk geval kon voelen. Later heeft Holman overigens wel nog een column aan Heeresma gewijd. In, wederom, het Parool. Daarin stelt hij dat hij ooit een vervelend stukje heeft geschreven over Heeresma, ‘een duidelijke vorm van vadermoord’. Ook schrijft hij dat zijn ‘charme en ego gigantisch waren’ en dat Heeresma eenzaam gestorven schijnt te zijn. Een van de slotzinnen: ‘Heeresma was en is een grote, en gek genoeg toch onderschatte schrijver in de Nederlandse literatuur.’ Over de brieven die hij van deze onderschatte schrijver ontving en over hoe gekrenkt dat ego door hem was, daarover rept Holman met geen woord.