De vergeten Nederlandse bohème

door Christiaan Weijts

Op de thee in het Jopie-hol

Nergens wemelt het zo van kliekjes, collectiefjes en gewichtige genootschappen als in de kunstwereld. Toch kom je het meest opmerkelijke zooitje ongeregeld in de officiële geschiedenisboekjes nergens tegen.
 

Amsterdam, rond 1906. Jonge dichters, schilders, architecten en acteurs kwamen samen in een klein huisje, eerst aan de Kerkstraat, later aan de Leidsegracht, waar ze zelf de sleutel uit de dakgoot konden grissen. Als er tenminste een bezemstok uit het raam hing. Dat was het teken dat de illustere bewoner thuis was: Jopie Breemer, die zijn geld verdiende als melkboer maar daarnaast dichter, schilder, vagebond en bovenal gastheer was tijdens die merkwaardige rendez-vous in zijn huis, berucht als het ‘Jopie-hol’.
 

Twee kleine kamertjes waren het, volgestouwd met prullaria – potjes, vaasjes, schilderijtjes, versleten divans. Veel artistieke bezoekers, de ‘Jopianen’, zaten op kisten met dekens erop, en Jopie schonk thee en deelde pinda’s uit.
 

Er is een foto uit het archief van Arthur van Schendel, een van de Jopianen, van Jopie rond 1907. Een petroleumstel, de grote theepot, de weelderige bloemen. Het vergt weinig verbeeldingskracht om je er de geuren bij voor te stellen: oude tabaksrook, petroleumwalmen, zweet, hout, morsige kleden. En even moeiteloos kun je je die avondjes en middagen voorstellen waarop er gedichten en verhalen werden voorgedragen, tekeningen en schilderijtjes rondgingen, iemand achter het spinet kroop om een chanson te zingen… Er waren meisjes van de toneelschool, architecten, journalisten, schilders… en Jopie sloeg het allemaal gade met diezelfde blik waarmee hij ons nu aankijkt, die mengeling van melancholie, spot en onderdrukte pret. Het ingevallen gezicht wat gemaskeerd met een baard, dat attribuut dat telkens weer opduikt in dergelijke subculturen, of ze zich nu hippies of hipsters noemen. 

Jopie Breemer, 1907


Hier waren het bohemiens: artistieke zwervers zoals die halverwege de negentiende eeuw verschenen, vooral in Parijs, en bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog weer verdwenen. Een milieu van alternatievelingen die zich buiten de maatschappij plaatsten en er soms commune-achtige idealen op na hielden. Daarbij hoorde ook: geen vlees en geen alcohol.
 

Misschien was dat ook de sleutel van die raadselachtige spreuk op de toegangsdeur: AM2-2. Alles mag in het kwadraat, behalve twee dingen, volgens latere getuigenissen. En welke dat waren? Daarvoor gold hetzelfde als bij die gevangenisregels in de film The Shawshank Redemption: daar kom je vanzelf wel achter. Vlees en alcohol, dacht Gerrit Komrij, die een tijdlang in de ban van Jopie en zijn kring is geweest.

 

Ontboezemingsbundel

 

Zonder Komrij zou Jopie nog onbekender zijn geweest dan hij al is. Eind jaren zeventig stuitte Komrij stomtoevallig op het enige gedrukte levensteken van Jopie. Bij het leeghalen van een zolder in Laren met oude boeken was daar ineens de Ontboezemingsbundel. ‘Geen uitgeversnaam, geen drukkersvignet.’ Onmiddellijk was hij gegrepen, en meende hij een zielsverwant ontdekt te hebben. Hij schreef een lange ode aan hem in Vrij Nederland.

‘Ze lachten om je, m’n lieve zoete Jopie, en het kon je niet schelen. Je trok je van geen enkele conventie iets aan. Van de plechtige literatuur niet en van de wetten die de wereld met ijzeren hand regeren niet:

 

            Als ik een bad genomen heb,
            En ik ben het vergeten,
            Dan denk ik van mezelf
            Dat ik vuil ben.

 

De Ontboezemingsbundel verscheen in 1913 en bevat grotendeels gedichten van Jopie, verzameld door vrienden, maar er staan ook bijdragen van anderen in. Het is een even rare en vrolijke mengeling als die avonden zelf geweest moeten zijn. Sommigen dachten dat Komrij die hele Jopie uit z’n duim had gezogen, inclusief de geciteerde gedichten, die, inderdaad, soms wat Komrij-esk aandoen: 

De reiziger reist heen en weer
Van Amsterdam naar Wormerveer
En ook wel eens naar Krommenie
Naar Beetsterzwaag en Middellie.
Hij leest zijn krant in de coupé

En neemt altijd zijn lege koffer mee

Hij draagt een witte hoge boord

En als hij zit zegt hij geen woord

Hij praat nooit met een ander heer
De reiziger reist heen en weer.


Sublieme nonsens

 

Komrij is verrukt over de ‘sublieme nonsens’: ‘Je ziet de eenvoud die alle anderen over het hoofd zien. Je maakt het ingewikkelde opnieuw eenvoudig. (…) Omdat je het zotte op ernstige toon bracht moest je het ernstige op een zotte toon brengen.’
 

Een tijdlang is Komrij daarna op zoek gegaan naar ‘de ware Jopie’; hij interviewde tal van ‘lieve oude dames’, Jopianen en weduwes die nog in leven waren, maakte driftig aantekeningen voor een heuse ‘biografische schets’ waarmee hij ‘een wit voetje’ dacht te gaan halen in ‘serieuze kringen’. Het kwam er niet van. Ook al omdat iemand anders dit werk intussen al heel gedegen had aangepakt. De student Arjen Ribbens (tegenwoordig redacteur bij NRC Handelsblad) studeerde in 1984 af op een dikke doctoraalscriptie: Jopie Breemer en het Jopiehol. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Amsterdamse bohème (1906-1914). Die scriptie, ook in de collectie van het Literatuurmuseum terug te vinden, is nog altijd het meest uitvoerige werk.
 

Ribbens laat mij nu weten dat hij tijdens zijn rondgang langs nazaten van Jopiehol-bezoekers soms schilderijtjes en brieven cadeau kreeg, die hij direct aan het museum gaf. Vandaar dat er zoveel dozen vol Jopie-materiaal zijn te vinden. Zoals het getekende portret dat nog in het Jopie-hol hing en duidelijk niet ongeschonden bleef bij al het rumoer. Het heeft krassen, vocht- en vetvlekken en het fascineert: dus dit portret heeft het allemaal gezien, die wereld van de ‘zigeuners van de kunst’ zoals Komrij het noemt, in het voorwoord dat hij schreef bij de heruitgave van de Ontboezemingsbundel in 1998. 

 

Komrij's fascinatie

 

Ik begrijp Komrij’s fascinatie wel. Bij die mafkezen in de marge van de officiële kunst heeft de creativiteit iets ongedwongen, iets naïefs, iets pretentieloos.
 

Je was een zonderling, zonder school, zonder na-apers, zonder sjacheraars in je kielzog (…) De bijziendheid rust als een doem op de polders, en laag boven de boerenwetering zweeft een hele brillenwinkel, het waardevolle is er gekrompen, het tienderangse gezwollen – en niemand die kan zeggen hoe of waarom, want morgen is het grote misschien een beetje minder klein en het kleine wat minder groot. Het gaat ermee als op de beurs. Je bent, o aanminnige Jopie, die dans ontsprongen.
 

(Wat een genot is het toch, wil ik met zo’n citaat ook nog maar eens zeggen, om Gerrit Komrij te lezen. Niemand kan schrijven zoals hij, niemand.)
 

Waren het allemaal marginalen, zondagsdichters en plezierkrabbelaars die in dat Jopie-hol samenschoolden? Welnee, er zitten allerlei figuren bij die later bekendheid en ruime erkenning kregen. Arthur van Schendel noemde ik al. Ook de schilder Jacob Bendien kwam er, beeldhouwer Hildo Krop, architect Piet Kramer… Maar bij Jopie waren ze allemaal nog zoekende twintigers, die gevoed zullen zijn door zo’n stimulerende kring, buiten de officiële verenigingen.

Tom Schilperoort

 

Zelf stuitte ik op Jopie via een omweg, die me zelfs het onderwerp voor een nieuwe roman in handen wierp. Ik had gehoord dat Pablo Picasso eens een zomer in Noord-Holland doorbracht. Toen ik me daarin verdiepte, dook de naam op van een van de meest besproken Jopie-hol-bezoekers: Tom Schilperoort.
 

Die woonde bovendien een tijd tussen de bohemiens in Montmartre, waar hij zijn vroegere stadsgenoot uit Delfshaven kende, Kees van Dongen. Tom Schilperoort heeft Picasso overgehaald om eens in zijn vakantiehuisje in Schoorl langs te komen.
 

Daarna bleef deze Tom overal opduiken. In de raarste gedaanten: als cabaretier, als journalist – hij had het eerste interview met Mata Hari – als autocoureur, als auteur van toeristische boekjes én van de eerste handleiding voor het besturen van een automobiel, als embedded verslaggever van de mobilisatie van 1914, als patiënt in Toverberg-achtige sanatoria, als sportjournalist, als levensgenieter aan de Franse Rivièra… Dat is vrij veel, voor een leven dat maar 48 jaar duurde.
 

Verschillende bronnen melden ook nog dat hij model moet hebben gestaan voor de ‘uitvreter’ uit Nescio’s monumentale verhaal. Bij Ribbens lees ik dat hij in minstens twee andere boeken opduikt als bijfiguur. Hij blijft fascinerend als model voor een historisch romanpersonage, en het grootste deel van zijn leven is nog niet verteld.
 

Dat hij letterlijk overal opduikt blijkt bijvoorbeeld bij mijn laatste bezoek aan het Literatuurmuseum, als conservator Dick Welsink even wat Haagse gegevens over hem uit een database weet te toveren: Tom woonde, kortstondig en op wel drie verschillende adressen, bij mij om de hoek, in de Haagse Bloemenbuurt.
 

Toch blijft hij vluchtig en ongrijpbaar, net als Jopie, die maar dromerig in de verte blijft kijken in zijn gehavende lijst. Voor Komrij was het reconstrueren van Jopie Breemer als ‘het vangen van de zwakste echo in een vlindernet’. In het Literatuurmuseum krijgen Jopie en Tom weliswaar steeds meer contouren, maar echt tastbaar worden ze niet. Misschien is dat maar goed ook. Misschien hoort het bij zigeuners en uitvreters dat hun wegen altijd onopgehelderd blijven.