De uitvinder

door Philip Huff

‘Uitvinder’ is de titel van het verhaal dat Willem Frederik Hermans (1921-1995) op zeventienjarige leeftijd schreef voor een verhalenwedstrijd van de letterkundige vereniging D.V.S. van het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam. Het winnende verhaal, dat wel wat weg heeft van Nescio’s ‘De uitvreter’, gaat over Gustaaf, een antiburgerlijke antiheld. Iets meer dan een jaar later, op 6 april 1940, werd het afgedrukt in het Algemeen Handelsblad (onder een andere titel: ‘En toch… was de machine goed’). Dit was Hermans’ literaire debuut.

 

De volgende maand, mei 1940, vielen de Duitsers Nederland binnen, een gebeurtenis die Hermans’ leven diepgaand zou beïnvloeden: zijn zus pleegde zelfmoord, zijn studie werd onderbroken en hij begon meer te schrijven. Enkele van zijn meest beroemde boeken – De tranen der acacia’s (1949) en natuurlijk De donkere kamer van Damokles (1958)zouden zich tegen de achtergrond van de oorlog afspelen.

 

Show, don’t tell

 

Wat valt er tegen beginnende schrijvers te zeggen over dit prijswinnende verhaal van een beginnende – en later zo beroemd geworden – schrijver?

 

Schrijf wat je kent, luidt het cliché.

 

Schrijven is schrappen, nog zo een.

 

En die andere gemeenplaats: show, don’t tell.

Het klinkt allemaal aardig, alleen zijn deze regels niet altijd geldig, zo is ook bij Hermans te zien. Al in de eerste zin, bijvoorbeeld, treedt Hermans deze laatste regel met voeten: ‘Gustaaf werd op school niet als gelijkwaardig beschouwd.’

 

Dat is ‘telling’, niet ‘showing’. Tonen zou een openingsscène behelzen waarin Gustaaf – ‘de Streier’ – wordt gepest. Maar Hermans doet iets anders: hij laat de verteller verklaren dat Gustaaf werd gepest. Hij wil tonen dat de verteller tot inkeer is gekomen. En om te tonen waarom Gustaaf werd gepest, roept Hermans beelden op: ‘Kromme gestalten, zwakke, van brillenglazen voorziene ogen, versleten jasjes met broeken van andere kleur, waarvan de zitvlakken glimmen.’

Pagina 4 en 5 uit het typoschript van 'Uitvinder'

 

Hermans zegt niet: ‘Gustaaf zag er lullig en armoedig uit’, hij toont het. En hij stelt vervolgens: zoiets pleegt de spotlust op te wekken. Hij verhaalt waarom mensen andere mensen pesten. Dit is noodzakelijk voor het verhaal dat hij presenteert. Soms door te vertellen, soms door te tonen.

 

Maak duidelijk wat je duidelijk wilt maken

 

Hermans’ verhaal is grotendeels geschreven in (toen al) typische Hermans-zinnen: eenvoudig, vijf tot vijftien niet te ingewikkelde woorden en niet te veel bijzinnen. (‘We liepen door de duinen. Troosteloos, kaal en winderig was het daar.’)

Hermans heeft als verteller een notaris van middelbare leeftijd gekozen: op zeventienjarige leeftijd gebruikt hij het perspectief van een oudere man. Schrijf dus niet zozeer wat je bent, schrijf het zoals jij het kent en ziet. Zoals jij de wereld ziet, zoals jij een notaris ziet, zoals hij volgens jou naar de wereld kijkt, om daar iets over te vertellen. Over pesten dus, ja, maar ook over een wereld met fabrieken, waarin winsten en ontslagen een rol spelen, en die vol conformiteit is – en de angst anders te zijn overheerst.

 

Schrappen en herschrijven

 

De enige werkelijke schrijfwet is: zoek naar het juiste woord, naar de juiste zin, om duidelijk te krijgen wat je duidelijk wilt maken. Om het juiste verhaal in de wereld te brengen.

Hoe doe je dat? Door te schrappen, ja. Maar ook door te herschrijven.

 

Hermans had een voordeel: wie met potlood of pen schrijft en daarna zijn verhaal op de schrijfmachine overtikt, heeft al een extra moment om het juiste woord te vinden. In zijn Fotobiografie (Thomas Rap, 1969) is de handschriftversie van ‘Uitvinder’ te zien: op de eerste bladzijde is zo veel geschrapt dat er alleen goede zinnen overblijven.

 

Wie het uitgetikte verhaal daarna terugleest, kan met potlood of pen – de zwarte correcties hier zijn zeker van Hermans – nog aanvullingen maken. Ideaal gezien typ je het verhaal dan nog een keer over. Een kans om de zinnen nog beter op papier te krijgen (en het levert ‘schone’ kopij op).

 

Elke zin moet wel de best mogelijke zijn

 

Veel van Hermans’ verbeteringen zijn op het gebied van taal – ontbrekende letters, spelfouten – maar op pagina negen wordt bijvoorbeeld het woord ‘Ergens’ uit de zin ‘Ergens reed een trein’ veranderd in ‘Verderop reed een trein’. Dat is een belangrijke wijziging. Er rijdt altijd wel ‘ergens’ een trein; het is een abstracte, weinig verbeeldende zin. ‘Verderop reed een trein’ is concreet, en direct ook dreigend: een trein maakt veel geluid, is even deel van het – in dit geval: industriële – landschap, en contrasteert met de stille Gustaaf, die ‘vredig’ staat te kijken. Door de bewegende trein krijgt de stilstand van Gustaaf meer diepte.

 

Natuurlijk is niet elke zin in een verhaal herwerkt tot het een Mona Lisa is, maar elke zin moet wel de best mogelijke zijn, zelfs als het een dergelijke simpele zin is als ‘Verderop reed een trein’.

 

Ritme, alliteratie en de dosering van bijvoeglijke woorden in zinnen als ‘Ik ben nu een geacht notaris, een notabele’, ‘Hij scheen mijn schimpscheut niet te bemerken’ en ‘Voor een tamelijk grote villa hielden we stil’, maken het verhaal literair: het is een verhaal met een eigen stem en een eigen kijk op de wereld. (Al is een baard die zachtjes ‘in de wind beweegt’ iets te veel gevraagd. We vergeven het de jonge auteur.)

 

Hermans bleef zijn hele leven op zoek naar de juiste zin. Zelfs herdrukken van jarenlange bestsellers paste hij nog aan. Hij wist: schrijven is herschrijven, schrappen, samenvoegen, verplaatsen, aanvullen, verbeteren. Als een uitvinder kijken, aanpassen, zoeken, en de betovering in de woorden vinden.