De trombone van F.B. Hotz

door Thomas Heerma van Voss

In het Literatuurmuseum hangt een trombone. Achter glas, op de eerste verdieping, tussen de manuscripten, klassieke uitgaves en andere literaire pronkstukken. Hoewel het instrument zichtbaar gebruikt is, glinstert het vrijwel smetteloze koper nog altijd – wellicht ook door het contrast met al dat omringde papier en de verder donkere zaal. Het is hoe dan ook een bijzonder collectiestuk, deze trombone. Omdat het instrument op een vreemde manier samenhangt met de opmerkelijke literaire loopbaan van de voormalig eigenaar. En omdat het instrument een van de weinige overgebleven spullen is van die eigenaar: de vermaarde en veelgeprezen schrijver F.B. Hotz.

 

Als er over het leven van Hotz (1922-2000) wordt geschreven, komen bijna altijd dezelfde gebeurtenissen ter sprake. Dat hij pas op late leeftijd zijn eerste boek uitbracht: op 54-jarige leeftijd welteverstaan, met de verhalenbundel Dood weermiddel. Dat men daarover zo lyrisch was dat sommigen niet geloofden dat hij werkelijk een debutant was. Dat de pers ook daarna over zijn romans en vooral verhalen lovend schreef, dat hij veelvuldig bekroond werd. Dat hij in zijn testament aan zuster Atie vroeg om al zijn brieven, kladden en persoonlijke documenten te vernietigen – wat ze deed en wat deels verklaart waarom er altijd diezelfde dingen over Hotz gezegd en geschreven worden: er is eenvoudigweg niet veel meer bekend.

F.B. Hotz in 1979. Foto: Philip Mechanicus

 

Wat wel bekend is, en wat meer dan het bovenstaande zijn leven heeft bepaald, is de krankzinnige geschiedenis met zijn echtgenote. Het verhaal lijkt rechtstreeks uit een Amerikaanse B-film te stammen, maar het is echt waar: nadat F.B. Hotz in 1956 zijn aarzelingen overwon en trouwde, bedroog zijn vrouw Greetje (roepnaam: Barbara) hem met zijn beste vriend Serein Pfeiffer, een trompettist met wie ze in 1967 trouwde. Ze was dus Pfeiffers echtgenote toen ze hem in de nacht van 19 op 20 oktober 1970 vermoordde: Pfeiffer bleek namelijk op zijn beurt ook weer vreemd te gaan, en dat kon Greetje niet verkroppen. Volgens biografe Aleid Truijens was het verhaal van zijn ex-vrouw die moordenares bleek Hotz’ ‘oerverhaal’, het dook keer op keer in al dan niet verkapte vorm op in zijn proza, het verklaarde waarom hij zich zo tergend mislukt voelde en bleef voelen, en waarom hij zich op latere leeftijd steeds meer terugtrok.

 

En er was de muziek. Een kernbezigheid tijdens Hotz’ gelukkigste periode – nog voor het bedrog, voor Greetjes moord, voor dat dominante gevoel van mislukking, voor de toenemende blindheid die zijn laatste levensperiode kenmerkte. Jarenlang was Hotz fervent trombonespeler. Als onderdeel van een band, fanatiek en voor bescheiden publiek.

 

Zijn muziek: Amerikaanse ‘hot jazz’ uit de eerste helft van de jaren twintig, de periode waarin vooral witte muzikanten toegang hadden tot de opnamestudio’s. Grote namen waren Bix Beiderbecke, Tommy Dorsey en Paul Whiteman – vooral van de laatste was Hotz een groot liefhebber. Met zijn oom Herman Kunst correspondeerde hij over muziek, zo valt ook te lezen in de door Truijens bezorgde brievenbundel Een beetje levensbestemming. Maar in de jaren vijftig is Hotz’ geliefde vorm van jazz nogal achterhaald, en wat hij speelde deed het niet goed bij het publiek, ‘dat liever stampende dansmuziek en dixieland hoort. Er valt geen droog brood mee te verdienen.’


Het verschil met de drukkere, meer experimentele muziek die we sinds de jaren vijftig met jazz zijn gaan associëren en die een stuk bekender is geworden dan hot jazz, is overigens niet zó groot: Hotz’ favoriete muziek heeft een onmiskenbare cadans, een wiegend ritme dat je het ene moment vredig in slaap kan sussen en het andere moment uitnodigt om in beweging te komen, de voeten uit elkaar, een opgetogen danstred. Het is muziek met een kloppende hartslag, er zit geen pauze in, geen rustmoment, het aanhoudende tempo werkt opzwepend. En laat nu juist het stuwende ritme een van de voornaamste eigenschappen zijn van F.B. Hotz’ verhalen.

 

Een bescheiden bekentenis: Hotz is voor mijzelf altijd uitsluitend een naam geweest, geen tastbare schrijver. Dat heeft te maken met willekeur – ik had immers ook gewoon eerder een boek of ten minste verhaal van hem kunnen lezen – maar ook met het feit dat zijn werk nauwelijks gecanoniseerd is: ondanks de P.C. Hooft-prijs (1998) en Truijens’ biografie (Geluk kun je alleen schilderen, 2011) speelt hij geen rol meer bij de studie Nederlands. Zijn naam valt vrijwel nooit onder hedendaagse schrijvers, hij wordt nauwelijks gezien als voorbeeld of inspiratie, zijn werk wordt niet aantrekkelijker heruitgegeven of op een andere manier opgerakeld.

F.B. Hotz in 1998. Foto: Rop te Riet

Onlangs besloot ik me eindelijk eens te verdiepen in De mooiste verhalen (2001), en meteen viel ik voor Hotz’ proza. Niet vanwege de soms heftige gebeurtenissen, het achterliggende engagement of de grootse maatschappelijke inzichten, maar juist vanwege het kleine: zijn vermogen om diep door te dringen in de interactie tussen mensen, haperend, vol misverstanden, bij vlagen ook uitermate komisch. Psychologisch ontleedt en kneedt hij zijn personages, en dat schrijft hij allemaal volstrekt natuurlijk op, zonder grote woorden of expliciete gevoelen, maar met een aangename roes. Met een ritme dat je dwingt verder te lezen, alinea na alinea, verhaal na verhaal. Ik begreep ineens ook beter waarom Truijens vanaf haar eerste Hotz-publicatie (in 1978 al) maar geen afstand kon nemen van zijn werk: het heeft iets verslavends. Die afgewogen psychologische portretten. En vooral dat krachtige en, ja, muzikale van de taal.

 

Oek de Jong schreef ooit over de Goldbergvariaties en benadrukte daarbij hoe belangrijk het ritme is. Hoe graag hij een roman als een muziekstuk zou willen ontwerpen, hoe verwant die ogenschijnlijk verschillende werelden kunnen zijn. Een raakvlak dat mij bovengemiddeld intrigeert, en vermoedelijk is dat waarom ik zeker weet dat ik Hotz ook na die mooiste verhalen zal blijven lezen – zijn proza heeft de stuwingskracht van de jazz die hij speelde, van de beste muziekstukken uit welk genre dan ook, het leidt af en neemt mee, het voelt vanzelfsprekend en tegelijkertijd volstrekt, tja, eigen. Die trombone achter glas is daar een krachtig toonbeeld van. Een aandenken uit betere tijden, toen Hotz in de ongepubliceerde luwte oefende met schrijven en ’s avonds op het podium klom met zijn medemuzikanten – niets lag vast, alles kon nog gebeuren.