De opdrachten van Willem Frederik Hermans

door Thomas Heerma van Voss

Wanneer men spreekt over de nalatenschap van een auteur, wordt daar bijna altijd zijn literaire werk mee bedoeld: de onuitgegeven verhalen of eventueel zelfs romans, misschien de correspondenties die hij voerde, de aantekeningenboekjes, de dagboekfragmenten. Haast nooit gaat het om door een auteur gesigneerde boeken, terwijl dergelijke handtekeningen veel kunnen vertellen.

 

De schrijver zal het idee hebben dat er niemand toekijkt, dat zijn woorden niet ook maar enigszins aangepast hoeven te worden aan een publiek. De opdracht die de jonge Mulisch in zijn debuut archibald strohalm (1952) schreef aan Gerrit Achterberg getuigt bijvoorbeeld van onvervalste bewondering, een liefde die publiekelijk niet gauw zo expliciet aan het licht zou komen: ‘Aan Gerrit Achterberg, de grootste dichter ter wereld’. Nog interessanter worden opdrachten wanneer ze meer tonen dan enkel bewondering, wanneer ze iets onthullen over de persoonlijke band tussen twee auteurs, zoals het geval is bij W.F. Hermans en schrijver en literatuurwetenschapper Gerrit Borgers (1917−1987). 

 

Hun onderlinge band laat zich het best omschrijven als amicaal, en het betrof weliswaar een vriendschap op afstand, maar wellicht kon die juist daardoor zo lang standhouden. De twee maakten veel samen mee, bijvoorbeeld de controversiële rechtszaak die in 1952 tegen Hermans werd aangespannen wegens belediging van katholieken in zijn roman Ik heb altijd gelijk (1951). Borgers werd in dat proces als getuige-deskundige gedagvaard. Hij was redacteur van het tijdschrift Podium en had in die hoedanigheid meerdere verhalen van Hermans gepubliceerd: sommige zouden later in bundels verschijnen, andere gebruikte Hermans voor romans − zoals, inderdaad, Ik heb altijd gelijk, waarvan Podium begin 1951 het eerste hoofdstuk had gepubliceerd (en dat Borgers dus, ook veelzeggend, maanden eerder te lezen kreeg dan Hermans’ uitgever Van Oorschot).

 

In een ‘noodnummer’ van Podium liet de redactie van het blad, die toen enkel bestond uit Borgers, zich fel uit over de rechtszaak tegen Hermans − en Borgers was opgetogen toen Hermans uiteindelijk (tot veler verbazing) werd vrijgesproken, voornamelijk door zich te beroepen op zijn liefde voor literatuur en de vrijheid van de literator. Hermans trad in 1950 toe tot de redactie van Podium, die inmiddels flink was uitgebreid, en toen Borgers in 1953 begon als conservator van het Literatuurmuseum, bleven de twee contact houden. In Borgers’ exemplaar van De god denkbaar, denkbaar de god (1956) schreef Hermans: Houd je maar stil. Ik heb alles gezien – een citaat waarmee hij niet alleen verwees naar de inhoud van het boek maar ook naar de rechtszaak, waarmee hij aangaf dat hij Borgers’ hulp niet vergeten was. Nog karakteristieker is wat hij een jaar later noteert in Borgers’ exemplaar van Drie melodrama’s, in nauwelijks leesbaar schreefhandschrift: Het krioelt van de drukfouten, die de drukker erin gemaakt heeft in de mening het beter te weten dan ik. Een onbedoeld komisch citaat, dat zeer kenmerkend is voor zowel Hermans als de zeldzame band die hij met Borgers onderhield.

 

Zeldzaam, ja, want wie zich in het leven van Hermans verdiept, verdiept zich in een overstelpende hoeveelheid vetes, sneren en verwijten − uitgevers, critici, collega’s, familieleden, vrienden, op den duur verdwijnt haast iedereen. Uit de lijvige, tweedelige Hermans-biografie van Willem Otterspeer blijkt dat ze regelmatig contact hebben: Hermans schrijft Borgers bijvoorbeeld per ansichtkaart over de namen van zijn kat, of hij bericht Borgers over de verkoop van zijn (aanvankelijk) in eigen beheer uitgegeven Mandarijnen op zwavelzuur. (Terzijde: in een van die brieven aan Borgers stelt Hermans de intrigerende vraag: ‘Jij als deskundige weet dat geen enkele Nederlandse schrijver het ooit langer dan tien jaar heeft volgehouden. (...) Zou ik een uitzondering vormen?’ Ik ben benieuwd wat de zelfkritische Hermans aan het eind van zijn loopbaan op die vraag zou hebben geantwoord.)

 

Juist de argeloosheid van de decennialange correspondentie heeft iets ontroerends. In 1964 signeerde Hermans een regulier uitgebracht exemplaar van Mandarijnen voor Borgers, met de fraaie tekst: 

‘--- waarbij de rechtbank er

tevens rekening mee zal houden dat het in schrijvers- en uitge-

verskringen niet onbekend zal

zijn dat Hermans (....) gaarne

blijk geeft van enige agressie

en behoefte heeft aan tuchtiging

van andersdenkenden.

Uit: Vonnis Arr. Rechtb. A'dam 3/4 '64

hart. groeten

Wim.’

Het is ruim vijftien jaar na hun kennismaking, hun band is onaangetast, en zal in de jaren die volgen ook onaangetast blijven. Nee, geen verwantschap die valt of staat met grilligheid en woede, maar juist van een kalme, afstandelijke eensgezindheid, en daarmee een dissonant.

 

Eind jaren tachtig overleed Borgers. Ze konden ‘goed met elkaar opschieten', vat Nop Maas hun tijd droogjes samen in Schrijven voor de eeuwigheid, zijn overzichtswerk over het Literatuurmuseum. Het wordt als argument gegeven waarom Hermans het toestond dat er een expositie over hem werd gehouden, en dat Borgers trots kon melden dat Hermans’ ‘hele documentenbezit’ aan het Literatuurmuseum werd toegezegd, en er inderdaad later (toen Anton Korteweg Borgers al had opgevolgd) 'kisten’ vol documentatie zijn kant op kwamen. Zo kon het dus ook, zonder rancune of verwijt.