De oorzaak van alle ellende

door Sander Kok

Het masturbatiedagboek van Lodewijk van Deyssel. Dit is deel 4. De essays zijn ook afzonderlijk te lezen.

 

Zijn vader bond hem elke avond een kuisheidsgordel om. Toen hij zoveel jaar later gold als een Nederlands grootste intellectuelen, droeg hij ’s nachts met spijkers beklede kokers om zijn handen. Lodewijk van Deyssel kent u van de middelbare school. Hij was een bijzonder wilskrachtig mens, en hij zou zijn leven niet door masturbatie laten verpesten.

 

Onweerlegbaar feit: wie een schrijver echt bijzonder slecht wil leren kennen, leest zijn autobiografie. Wie de werkelijkheid op prijs stelt, leest zijn brieven. Of beter: zijn dagboek. Nog beter: het dagboek dat hij bijhield over zijn strijd tegen masturbatie.


Lodewijk van Deyssel vertrouwde zijn woorden aan het papier toe in een tijd waarin het plegen van ontucht met zichzelf, of ‘onanie’, een mens zowel vleselijk als zedelijk kapot maakte, zoiets als suiker eten nu. Hoe is het om het masturbatiedagboek te lezen van een schrijver die, door de tijd waarin hij leefde, dacht dat zijn intieme handelingen schadelijk waren? Een bejaarde en waarschijnlijk verwarde man die tegen het verkeer in de roltrap op sjokt, de bij dat beeld horende mengeling van medeleven met onze mensenbroeder en lachlust om de sufferd – waarbij het medeleven de lachlust moeiteloos overtreft – maakte het in me los. De schrijver van Een liefde wist niet beter. Niemand wist beter, in die gekste van alle eeuwen, of het waren de stiekemerds die toch zichzelf betastten, zonder daar doofheid, blindheid, ruggenmergtering of homophilie aan over te houden. Of laat ik compleet zijn: slaphartigheid, bleekheid, moeheid, magerte, lusteloosheid, vliegende pijnen, koortsige bloedsomloop, stuiptrekkingen, uitdroging, hysterische aanvallen, ‘jeukende vurigheden’, morele slechtheid… nee, ik ga niet compleet zijn, want werkelijk elk euvel, lichamelijk en geestelijk, kon de eenarmige misdaad als oorzaak hebben. Wat vandaag de man is, was de onanie in de negentiende eeuw: de oorzaak van alle ellende.

Over masturbatie door vrouwen waren Van Deyssels tijdgenoten opvallend milder, hoewel ook weer niet zo mild als Van Deyssel zelf. In zijn bekendste werk, Een liefde, laat hij zijn hoofdpersoon Mathilde masturberen in de tuin. Het is de eerste vrouwenmasturbatiescène van de Nederlandse literatuur. In het nawoord van de heruitgave van de eerste druk, die explicieter was dan de tweede, verdedigt hij zich tegen de lezers die dat ‘walgelijk’ vinden:

 

 

Ik vind dat niet walgelijk, ik begrijp niet hoe dat walgelijk kan zijn. Een poeplucht te ruiken, dát vind ik walgelijk om dat het mij onaangenaam aandoet. En de onanie van Mathilde doet mij niet onaangenaam aan. Het is voor mij de meest intense snik van verrukkingslijden van een vrouw in liefde. Ik zie het wellustvocht biggelen als een groote traan, en werkelijk, reëel, heelemaal, zie ik geen onderscheid tusschen de traan van het oog en de traan van het geslachtsdeel.

 

De traan van het oog en de traan van het geslachtsdeel. Een poëtische vergelijking, die daarbij retorisch doel treft. De Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum merkt in Hiding from Humanity terecht op dat de traan een status aparte heeft als het enige lichaamsvocht dat geen walging oproept. Nee, dan het walgelijke verspillen van zaad, wat in het Oude Testament tot Onans dood leidde, en daarna tot de ondergang van ontelbare gezonde en eerbare jongens en mannen. Het ene vocht is het andere niet.

 

‘[Gij zult] de onaniegewoonte overwinnen evenals de slechte-opstaans-gewoonte verleden jaar […],’ houdt Van Deyssel zich voor in zijn dagboek. Immer hoopvol. Eens gloort de toekomst waarin hij niet langer de slaaf is van zijn walgelijke, ziekmakende gewoonte.

 

Het onaniedagboek is een pijnlijk werk, het verslag van een strijd, een kroniek van een serie verloren slagen, een belijdenis van een geloof dat zich niet laat doven. Van Deyssels hoop dat hij ooit door strenge zelfdisciplinering het beest van de onanie zal doden is onaantastbaar als dat van iemand wiens leven zonder het geloof door angst kapot zou gaan. Angst – waarvoor?

De amateurpsycholoog in mij zegt: voor mislukking. Zijn ambities waren te groot voor één mens. Een in het zwart geklede man die met gespreide armen over een bureau met daarop een wereldkaart ligt, dat is Van Deyssel, als je zijn lijst met doelen, op twintigjarige leeftijd opgesteld, erbij pakt. Tientallen boeken zou hij schrijven. President zou hij worden. Zijn kuisheid, zijn strijd, staan die niet vooral in dienst van de zelfsabotage? Als de kunstenaar, het taalgenie, onverhoopt faalde bij het benaderen van zijn bovenmenselijke doelen, kwam dat doordat hij zich onzedelijk betast had, niet door gebrek aan talent. Daardoor kon hij doorgaan met die andere strijd, die van het schrijven.

 

Van Deyssel is een mislukkingskunstenaar (zoals W.F. Hermans door zijn biograaf Willem Otterspeer werd genoemd). Hij verbeterde zich en sterkte zich en stutte zijn fragiele bouwwerk met de bespijkerde kokers die hij elke avond om zijn polsen bond.

Goed.

Maar waarom er een dagboek over bijhouden?

En waarom het bewaren? Waarom heeft hij die vierhonderd bladen niet verscheurd of verbrand, voor de dood op zijn deur klopte?

Niet uit nonchalance of verstrooidheid, daar was hij de man niet naar. Van Deyssel had zijn literaire nalatenschap al ruim voor zijn dood geregeld met zijn toen pas zeventienjarige biograaf, Harry G.M. Prick. Het onaniedagboek zat in een scheepskist met het weerdagboek, het slaapdagboek en talloze andere dagboeken. Waarom heeft de bejaarde, trotse Van Deyssel dat ene, schandelijke werkje in de scheepskist laten zitten?

Om onze spektakelzucht te stillen? Van Deyssel was wel een beetje een provocateur. Maar toch. Hij was ook trots.

 

Een observatie over dagboeken in het algemeen. Niet de duivel zit in de details – daar zit de mens. Die leer je nergens zo goed kennen als door het lezen van een nauwkeurige opsomming van zijn gedragingen. Ik heb de indruk dat Van Deyssel dat wist of voorvoelde. Hij wilde, letterlijk, gekend worden. En dan echt, oprecht, gekend. Elk mens wil wel gekend worden, geloof ik, maar het kleingeestige, het nare, het banale of het lichamelijke, dat houdt men liever verborgen. De ‘naturalist’ Van Deyssel dacht daar anders over. En misschien had hij gelijk. Mensen die sterven zijn musea die afbranden. Van Deyssel vormde zijn leven om tot kaartenbak, misschien uit een vaag besef dat zo zijn erfgoed niet geheel verloren zou gaan. Het museum brandde af – dat doet het altijd; de indexen bleven achter.

Kennen we nu Van Deyssel? Nee, nog steeds niet. Maar dat heeft meer te maken met de onmogelijkheid een mens – een ander of onszelf – te kennen. Voor zover je iemand uit zijn geschriften écht kan leren kennen, lukt dat met Van Deyssels dagboeken naar mijn idee heel aardig. Hoe krankzinnig het geschrevene ook lijkt. De tijd zet de schrijver op afstand, de details halen hem dichterbij.

 

U kunt het onaniedagboek op aanvraag inzien in het Literatuurmuseum, waar u toch nog naartoe moest.

 

Dit was het laatste deel van een vierdelige serie over het onaniedagboek van Lodewijk van Deyssel. Lees ook de delen I, II en III