De onvergetelijke wereldbeschouwingen van De Kadt

door Thomas Heerma van Voss

Na de Tweede Wereldoorlog wil uitgever Geert van Oorschot een literair tijdschrift in zijn fonds. Het zijn jaren van wederopbouw en groei, in allerlei segmenten van de samenleving – ook binnen de literatuur. Van Oorschot heeft zich kort na de bevrijding met zijn nog jonge literaire uitgeverij gevestigd aan de Herengracht in Amsterdam. Hij geeft werk uit van zowel roemruchte auteurs (onder meer Ter Braak, Multatuli en Couperus) als nieuw talent (W.F. Hermans en Gerard Reve) en bouwt daarmee algauw een naam op. Bij zo’n florerende, literaire uitgeverij, bij een tijd die zo duidelijk in het teken staat van groei, past een literair tijdschrift: als broedplaats voor nieuw talent, als podium voor dichters en niet onbelangrijk: essayisten.

 

Tevergeefs probeert Van Oorschot zijn tijdschriftplannen concreet te maken via Podium en Criterium, waarvan hij de redacties wil hervormen. Maar het aangename toeval wil dat precies in die periode – en aanvankelijk geheel los van Van Oorschot – plannen worden gemaakt voor een nieuw tijdschrift: Libertinage, naar een idee van H.A. Gomperts en W.F. van Leeuwen. De geschiedenis van dit blad is al eens uitgebreid en smakelijk beschreven door Piet Calis in De vrienden van weleer : schrijvers en tijdschriften tussen 1945 en 1948, en wat daarbij opvalt is de belangrijke rol van journalist en politicus Jacques de Kadt (1897-1988). Want: deze uitgesproken figuur, vermaard om zijn stellige en soms controversiële uitspraken over wereldpolitiek, moet als essayist een vaste en belangrijke rol krijgen bij Libertinage. En dat stuit enkele potentiële uitgevers tegen de borst.

Jacques de Kadt (links) en Geert van Oorschot (Fotostudio Lemaire)

 

Aanvankelijk lijkt het blad te gaan verschijnen bij Querido. Er zijn gesprekken geweest tussen de tijdschriftredactie en de uitgeverij, iedereen is enthousiast, maar dan dringt het tot Querido-medewerkers door dat De Kadt bij Libertinage betrokken is. Alice von Eugen, een van de directeuren van Querido, schrijft na een positief voorgesprek met Van Leeuwen: ‘Toen U Vrijdagochtend hier was hebben wij wel heel even oppervlakkig over de anti-Russische tendens van de Kadts werk gesproken, maar ik heb mij op dat ogenblik toch eigenlijk niet gerealiseerd wat dat voor mij en mijn uitgeverij betekent. Ik heb mij n.l., al ben ik zeker niet uiterst links of zelfs maar communistisch, altijd onthouden van een anti-Russische politiek in mijn uitgaven. Zou de heer de Kadt een heftig anti-Russische politiek volgen in het tijdschrift, dan zou ik daaraan mijn naam niet willen geven. Het spijt mij dat ik daaraan niet eerder heb gedacht, toen wij al eens hebben gesproken over de medewerking van de Kadt. Ik heb mij dat toen niet zo gerealiseerd.’

 

Tijdenlang is De Kadt een zeer actief communist geweest. Daarna, toen hem duidelijk werd wat voor gruwelijke regimes het communisme kon voortbrengen, werd hij nadrukkelijk tegenstander van communistische dictaturen. Het is nog onduidelijk of en zo ja in welke vorm hij daarover wil schrijven, en dus of het concreet iets te maken zal hebben met Libertinage – maar het valt ook niet uit te sluiten. En een schrijver of onderwerp bij voorbaat verbieden druist lijnrecht in tegen wat Van Leeuwen en Gomperts voor ogen hebben: hun blad draait nu juist om de tijdens de oorlog verworven vrijheid, precies dáárvoor moet het symbool staan, alles dient mogelijk te zijn. Het moet, kortom, ‘een tijdschrift voor iedereen’ worden – en dus loopt het contact met Querido, hoe vergevorderd ook, alsnog spaak. Vanwege De Kadt.

 

Even lijkt het er zelfs op dat er door zijn aanwezigheid helemaal geen nummer zal verschijnen: ook andere uitgevers tonen zich niet happig. Maar dan vindt de redactie Van Oorschot, of omgekeerd; hoe dan ook is er bij Van Oorschot geen terughoudendheid: hij gaat Libertinage uitgeven. En dat De Kadt meedoet vindt hij allesbehalve een bezwaar: hij koestert grote bewondering voor de essayist. Gomperts meldt later daarover: ‘Van Oorschot zwoer bij De Kadt. Zelfs de manier van formuleren van De Kadt had hij overgenomen.’

 

Alle enthousiasme en wederzijdse bewondering ten spijt bestaat Libertinage uiteindelijk maar zes jaar – in 1953 verschijnt het laatste nummer. Naar hedendaagse maatstaven is dat vrij kort, toch is het langer dan de meeste andere bladen uit die tijd, zoals Forum of Contour. Bovendien: in die korte periode ontwikkelt Libertinage wel een heel eigen toon en statuur, waarbij de nadruk niet ligt op proza of poëzie maar op de essayistiek. En daarbij is De Kadt zoals gepland van cruciaal belang. Gedurende het eerste jaar levert hij, inderdaad, aan elk nummer een bijdrage in de vorm van een kroniek. En het is duidelijk dat hij daarbij vrij spel krijgt, of zoals hij zelf zegt in het eerste Libertinage-nummer: ‘Dat die [bijdrage, THvV] in overeenstemming moet zijn met het non-conformistisch karakter van dit tijdschrift, zal men als een voor de hand liggende zaak beschouwen. En toch is daarmee eigenlijk al een politiek program aangegeven. Alles wat het non-conformisme in de wereld bedreigt, moet dan worden bestreden of als “gevaarlijk” worden gesignaleerd. Alles wat het non-conformisme bevordert, of beveiligt, of althans levensmogelijkheden biedt, moet worden verdedigd en gesteund.’

Het citaat is veelzeggend voor de schrijfwijze van De Kadt: de zinnen zijn zowel toegankelijk als vol. Qua woordgebruik zijn ze niet per se ouderwets, maar thematisch voelen ze wel anachronistisch aan. Zeker als De Kadt in het hierop volgende fragment stelt dat het door hem genoemde non-conformisme vooral vanuit de Sovjet-Unie bedreigd wordt – een wereldmacht die sowieso opvallend vaak opduikt in zijn kronieken. Want, voor de goede orde, dáár gaat het De Kadt om in zijn Libertinage-werk (en ook in veel van zijn werk buiten het tijdschrift): het duiden van de wereldpolitiek. In dit Van Oorschot-blad probeert hij de naoorlogse politieke chaos van zijn tijd expliciet te duiden, hij schuwt de grote woorden of analyses niet, hij deinst niet terug voor expliciete stelligheid.

 

Zo is er een kroniek waarin De Kadt, die politiek actief was voor de Partij van de Arbeid, zich fel keert tegen de anti-Amerika-stemming die tijdens sommige verkiezingscampagnes naar voren komt, waarbij hij er fijntjes op wijst hoe belangrijk Amerika is geweest voor het voortbestaan van Europa. Een andere kroniek draait om de tegenstellingen tussen Oost- en West-Europa, het nog prille machtsevenwicht in ons continent.

 

In Tegen het politieke gangsterisme heeft hij het vooral over Rusland, over Stalin en diens schrikbewind, waarna hij overgaat op Trotzky’s onvoltooide biografie van Stalin. De conclusie, met de stelligheid die zo typisch is voor De Kadts schrijven: ‘Stalin heeft de voltooiing van dit boek met geweld belet. Maar al heeft hij Trotzky vernietigd, de vernietiging van zijn reputatie door Trotzky’s boeken zal hij slechts kunnen verhinderen als hij er in slaagt de wereld te veroveren en de heerschappij van de grote leugen overal zo te vestigen als ze in het huidige Rusland gevestigd is.’

 

Wie de kronieken nu achter elkaar tot zich neemt, kan er niet omheen hoe goed leesbaar het allemaal is. Natuurlijk, her en der duikt er een ouderwets aandoende flard of zinsconstructie op (sowieso erg veel ‘thans’), maar stilistisch is het verzorgd en krachtig, hij schrijft heel logisch toe naar zijn dwingende conclusies. Dat is niet alleen prettig om te lezen, het maakt de boodschap ook sterker: de stelligheid van de inhoud komt overeen met de stelligheid van de taal. Verder valt op hoe breed het allemaal opgezet is. Niet alleen omdat hij de hele wereld analyseert en duidt, ook omdat hij zichzelf qua vorm veel vrijheid toestaat.

 

Misschien ook gewoon te veel: na het eerste jaar schrijft hij geen vaste politieke kronieken meer voor Libertinage. ‘Wel zou enkele malen nog een incidentele bijdrage van hem gepubliceerd worden,’ aldus Piet Calis in Het elektrisch bestaan. Daaronder vallen merkwaardige stukken in dialoogvorm – alsof hij nu hij minder ruimte kreeg zich ook had voorgenomen meteen minder toegankelijk en begrijpelijk te gaan schrijven.

 

In juli-augustus 1952 gaat de dialoog over de verkiezingen, de kabinetsformatie en de troonrede, onder de titel Verdediging der middelmatigheid. Wat volgt is een fictief gesprek tussen S. en C. – respectievelijk de scepticus, ‘een politicus, die partij heeft gekozen, maar geen partijgelovige is’, en de criticus ‘een kiezer, behorend tot de groep van intellectuëlen en kunstenaars, die terecht ontevreden zijn met de huidige situatie’. Het is een stuk van maar liefst vierentwintig pagina’s, vol dichte politieke dialoog. In het daaropvolgende nummer schrijft De Kadt weer zo’n gesprek, ditmaal ‘over Stalin en het tegenwoordige Rusland’, personages M. (‘meeloper, bewonderaar van de “grote ideeën” die hij in de leiding van de Russische Staat (…) meent te zien’), T. (twijfelaar) en N. (nuchtere).Ook dit is meer dan 20 pagina’s tekst, met harde, contrasterende politieke opvattingen, geen lucht te bekennen.

Zouden hedendaagse schrijvers zulke essays en dialogen nog kunnen schrijven? De meesten niet. Zouden ze het willen schrijven? Vermoedelijk evenmin: zo veel informatie, zo veel perspectieven, zo veel stelligheid, zo veel grote verbanden. En het publiek zou het, zo is mijn inschatting, al helemaal niet willen lezen. De Kadt schrijft in zijn Libertinage-bijdragen met onmiskenbare bravoure en kennis van zaken, zijn kronieken voelen qua vorm en stilistische daadkracht opvallend onversleten aan, zijn dialogen zijn warriger en moeilijker, maar ál zijn stukken voor dit blad stammen duidelijk uit een andere tijd: dat blijkt uit de grootschalige opzet en de flinke lengte van de stukken, uit de totale ernst waarmee het allemaal is opgetekend. Ongetwijfeld verklaart dit deels waarom bijdrages zoals die van De Kadt niet meer worden geschreven.

Jacques De Kadt spreekt de Kamer toe tijdens een debat over de kwestie Nederlands-Nieuw-Guinea (4 april 1962) (Foto: Spaarnestad / Anefo/ de Nijs)

 

Misschien verklaart het zelfs waarom Libertinage na de oprichting weer verdween: de stukken waren zowel te breed als te specifiek. Gewoonweg te weinig aantrekkelijk. Wanneer Van Oorschot een klein decennium later een nieuw tijdschrift op de markt brengt, waar de nadruk niet ligt op wereldproblematiek maar op proza en poëzie, houdt dat wel stand. Tirade bestaat vandaag de dag nog steeds.