De ogen van een dode

door Alma Mathijsen

Over een bijzonder object uit de werkkamer van Paul van Loon 

 

Een naam heb ik nooit gekregen, wat het lastig maakt mezelf voor te stellen. Mijn voorkomen is uitzonderlijk, mijn schedel is vijf keer zo klein als die van een volwassen mens, een lichaam heb ik niet. Mijn hoofd staat op een dik boek, gemaakt van gips, van datzelfde materiaal ben ik ook gemaakt. Eigenlijk is dat boek mijn lichaam. Ooit werd ik gebruikt als asbak, het doet me deugd dat die tijden lang voorbij zijn. Al meer dan dertig jaar sta ik op op de middelste plank van de boekenkast. Ik ben het middelpunt. Vandaar heb ik overzicht, ik kan buiten de bladeren zien schudden als het weer onstuimig is, ik hou naarstig in de gaten of er boeken worden verplaatst, ik weet wanneer de Britse korthaar-katten bij de deur loeren of ze niet naar binnen kunnen. Dat mag niet, dit is mijn werkkamer. Toch kan ik op één figuur haast geen invloed uitoefenen. Iedere avond om klokslag negen uur opent de deur, een gedaante volledig gehuld in het zwart loopt vastberaden binnen. Zijn ogen heeft hij afgeschermd met een zonnebril, het maakt niet uit dat de schemer al is ingetreden. Het wezen schuift achter mijn bureau, trekt zijn rug krom en voordat zijn vingers de toetsen raken, kijkt hij op. Ik weet het niet zeker, maar het is net of hij me aankijkt, door de zwarte glazen is dat onmogelijk met zekerheid vast te stellen. Toch voel ik zijn blik, soms minuten lang, op me inwerken. Het is of hij iets van me afpakt, of hij elke avond met zijn ogen, door die bril heen, mijn schedel in kruipt en mijn gedachten steelt. Hij staart me aan tot hij iets te pakken heeft, dan vallen zijn vingertoppen neer op het toetsenbord. Als een razende schrijft hij, totdat de maan op zijn felst schijnt, dan verdwijnt hij weer. Soms meen ik een kleine glimlach te zien als hij wegloopt, dan draait hij zijn hoofd over zijn schouder mijn kant op. Nacht na nacht peutert hij een klein stukje van mijn ziel weg om zijn boeken te vullen met verhalen waar tenen van omkrullen. De doden hebben meer gezien dan de levenden, dat weet de schrijver. Dat ik van gips ben, betekent niet dat ik minder echt ben. Ik ben net zo dood als elke willekeurige schedel zonder vlees, bloed en spieren. Het enige verschil met de meeste dode schedels is dat ik ben gevonden door een schrijver, een schrijver die me langzaam leegzuigt.

 

Deze avond komt de gedaante later binnen dan normaal. De regen slaat tegen de ruiten, de wind huilt, de deur slaat open. De gedaante doet een stap in mijn richting, mijn reflectie glimt op zijn kale kop. Ik kan bijna zijn ogen zien, zo dichtbij is hij. Zijn blik schraapt het onderste uit mijn hersenpan, ik voel me hol worden. De gedaante gaat zitten achter mijn bureau. Maar ik weet al dat dit na deze avond niet langer mijn werkkamer zal zijn. Ik ben op. De volgende dag word ik in bubbelplastic gestopt door een mevrouw die ik nooit eerder heb gezien, ze zegt iets over een museum en goede zorgen. Ik ben al dood, maar mijn graf heb ik nu pas gevonden.