De lievelingsdichter van Wilders

door Alma Mathijsen

‘Mag ik de tondeldoos?’ vraagt Geert.

Naast hem staat Jan Frederik Helmers, zijn persoonlijke held. Uit zijn binnenzak haalt de dikke man een cilindervormig object, waarmee vuur is te maken. Geert peutert het vuursteentje uit de koker en geeft een ruk aan de metalen ring om een vonk te maken. Helmers heeft nonchalant een sigaar tussen zijn lippen. Hij is klein en heeft een bol gezicht dat nog boller oogt door de ronde glazen van zijn bril.

 

‘Komt er nog wat van?’ vraagt hij.

Zenuwachtig probeert Geert zich de techniek meester te maken. De tondeldoos stamt uit de achttiende eeuw, net als Helmers zelf. Die schreef in 1812 zijn beroemdste gedicht van maar liefst 3545 versregels: De Hollandsche natie. Een Nederlander is trots op zijn land, dat is de belangrijkste boodschap. Het verscheen vlak voor zijn dood, wat in zekere zin zijn redding was. Op dat moment was Nederland bezet door de Fransen, en die wilden hem van het bed lichten en gevangen zetten. Zijn tekst was tegen de bezetters gericht en dus werd de publicatie ervan verboden. Althans: de tekst moest aangepast worden en daarna mocht die pas gedrukt worden. Precies als met Fitna, daar moest Wilders steeds aan denken. Niet echt verboden, maar wel geboycot.

Boven het bed van Geert hangt een zelf gestikt wandkleed met de tekst: 'Gij Nederland! ontleent uw grootheid uit u zelven'. Uiteraard uit De Hollandsche natie. Geert wil het zeggen tegen Helmers, hij wil hem vertellen hoeveel het voor hem betekent. Dat zijn boek, in alle edities die door de eeuwen heen zijn uitgegeven, in een speciale etalagekast is tentoongesteld in de badkamer. Een vreemde plek wellicht, maar dat is nu eenmaal de ‘safe room’ van huize Wilders. Alle muren daar hebben kevlar platen tussen het beton om kogels te weren. Geert aarzelt, het is altijd ongemakkelijk om een held te ontmoeten. Het verdomde vuursteentje in zijn vingers wil geen vonk afketsen. Ongeduldig rukt Helmers de tondeldoos uit de handen van Geert. Met een paar streken vangt hij een vonk op en brandt zijn sigaar eraan. De tabak slurpt het vuur op, Geert houdt de onaangestoken sigaar in zijn hand achter zijn rug.

 

‘Meneer Helmers,’ begint Geert, ‘ik ben echt wel een fan van u. Maar ik geloof niet dat ik nu met een gedicht van 4000 regels nog volgers krijg. Ik schrijf nu gedichten van 140 tekens. Dat zijn zo ongeveer dertig woorden per keer. Ik zou graag uw advies willen. Als ik nu al mijn tweets achter elkaar zet, heb ik dan De Hollandsche natie geëvenaard?’

 

Geert haalt zijn telefoon uit zijn zak en toont Helmers zijn teksten:

 

Prachtig: de Nederlandse vlag hijsen + het volkslied zingen op school.

 

Ons geld niet meer in het buitenland of aan buitenlanders besteden maar hier aan onze eigen mensen!

 

‘Ik probeer wel eens iets uit met binnenrijm, maar het wil nog niet echt vlotten.’

Helmers neemt een lange haal van zijn sigaar.

‘Is het aanstellerig en valt het in herhaling?’

‘Zeker!’

‘Dan zit je goed,’ zegt Helmers en schuift zijn bril wat hoger op zijn neus, ‘moet die niet aan?’

 

Geert houdt zijn sigaar in de lucht. Het voelt als een overwinning als Helmers de sigaar met een vonk aansteekt. Alles wat zo oud is, dat is goed, denkt Geert. Daarvan weten we zeker dat het kunst is, anders had het zijn tijd niet overleefd. Wat Geert niet weet is dat Helmers in de hoofden van de rest van Nederland niet veel meer is dan een groepje straten in een dure wijk van Amsterdam. Zelfs de bewoners van die straten kunnen niet één regel van Helmers citeren. Hij werd ooit geprezen, maar die tijden zijn vervlogen. Misschien moet Geert daar ook maar eens aan geloven.