De helm van Hanlo

door Ernest van der Kwast

Jan Hanlo wordt tot de Vijftigers gerekend, ‘maar hij was binnen dat gezelschap een buitenbeentje, zoals hij eigenlijk op ieder gebied een buitenbeentje was,’ vermeldt Wikipedia. Er volgt geen toelichting, wel wordt het klankgedicht ‘Oote’ genoemd, dat in 1944 verscheen in het door het Rijk gesubsidieerde tijdschrift Roeping. Een VVD-Eerste Kamerlid omschreef het gedicht als ‘infantiel gebazel’. Jan Hanlo sprak liever van ‘kinderbrabbeltaal’.

 

Op het vlak van geaardheid was Hanlo in ieder geval een ‘buitenbeentje’. Na zijn dood verscheen het brievenboek Go to the mosk, waarin hij zijn relatie met een twaalfjarige Marokkaanse jongen beschrijft, die hij uiteindelijk naar Nederland haalde. Omdat de jongen geen verblijfsvergunning had, werd hij alweer snel uitgewezen.

 

Op 14 juni 1969, twee weken na de uitwijzing, verongelukte de schrijver op zijn 56 pk Vincent HRD-motorfiets. Hanlo was in Berg en Terblijt tegen een van richting veranderende landbouwtractor gereden. Hij zou na een zware operatie overlijden. Wikipedia vermeldt: ‘De helm die hij bij zijn ongeluk droeg, wordt permanent tentoongesteld in het Haags Letterkundig Museum.’

Ik krijg de helm van Hanlo in het Literatuurmuseum te zien. Conservator Daan Cartens overhandigt mij het object, dat met cutternummer H235/Vw/IV3 in het collectiedepot is opgenomen, maar hij gelooft niet dat dit de helm was die Hanlo droeg toen hij verongelukte. De helm heeft geen deuken, geen beschadigingen, alleen een bruine veeg aan de zijkant. Het is ook niet de Cromwellpothelm, ‘waarvan de leren vliegenierskap langs de wand was volgepropt met zakdoeken om de wind buiten te houden’ en die Hanlo droeg tijdens de eerste motorsprintwedstrijden in Nederland. De dichter/schrijver eindigde op de tiende plaats in de klasse boven de 650 cc ‘door over de 400 meter met staande start een tijd van 15.62 seconden neer te zetten’. (Beide citaten zijn afkomstig uit Zo meen ik dat ook jij bent, de biografie van Jan Hanlo die Hans Renders schreef.)

Helende werking

Jan Hanlo was een echte motorliefhebber. Zijn eerste motor was een Indian, daarna kocht hij een Sheffield Henderson (ééncilinder grasbaanmotor), in 1938 reed hij op een DKW RT, vervolgens op een Matchless, waarna hij in 1957 overstapte op de 56 pk Vincent HRD. Van de Vincent waren maar vier exemplaren in Nederland. Hanlo bezat er op een gegeven moment drie. Hij wilde ook graag de vierde kopen, maar de eigenaar, een Friese straaljagerpiloot, wilde er geen afstand van doen.

In het januari-nummer (1960) van Motor, het enige Nederlandse Motorweekblad was een interview met Jan Hanlo opgenomen. Hierin vertelde hij over de helende werking van het motorrijden. ‘Ik had in de jaren vlak na de oorlog veel last van reumatiek. Nadat ik weer motor ben gaan rijden is die reumatiek geheel verdwenen.’ Tegenover collega’s schepte Hanlo op over de snelheden die hij haalde. Aan J. Bernlef schreef hij: ‘Mijn motor doet ’t weer tamelijk goed. Ik reed enige malen 150 km/u in België (niet toen ik viel, toen had ik maar een vaartje van 40-50 km).’ In andere brieven pocht hij met nog grotere snelheden, tot wel 170 kilometer per uur.

 

'Nooit meer stil'

De poëzie van Hanlo was lyrisch en had een autobiografische inslag, maar hij dichtte slechts één keer over motoren, waarbij zijn liefhebberij er niet goed van afkwam. ‘Men zal nog krijgen dat het nooit meer stil is/ en dat voortdurend ’s nachts en altijd de verdoemde rotmotoren/ om je kop ronken,’ klinkt het in het gedicht ‘Nooit meer stil’.

In ieder geval twee motoren van Jan Hanlo waren verdoemd. In zijn jonge jaren in Valkenburg veroorzaakte hij gezeten op zijn DKW RT een ongeluk, waarbij een 43-jarige vader van drie kinderen om het leven kwam. De weduwe zou het ongeluk haar hele leven meedragen. Ze riep op haar honderdste nog uit: ‘Jan Hanlo is een moordenaar!’ De waarheid is genuanceerder. Hanlo reed, volgens een ooggetuige, met een snelheid van 35 à 40 km per uur over een onverlichte weg. Het was nat weer. De aangereden man droeg een zwarte overjas en liep op de weg in plaats van op het trottoir. Desalniettemin concludeerde de rechtbank dat Jan Hanlo roekeloos en onvoorzichtig had gereden en werd hij veroordeeld tot het betalen van een geldboete van vijftig gulden of een maand hechtenis.

Eigen noodlot

Met de Vincent HRD-motorfiets reed de schrijver ten slotte zijn eigen noodlot tegemoet. Twee dagen na de botsing met de landbouwtractor overleed Hanlo in het ziekenhuis. Een patholoog-anatoom met de achternaam Zeldenrust constateerde dat de patiënt was overleden aan longembolie. Harjo Coumans (pseudoniem van Henriette Bastiaans) schreef na de dood van Hanlo het gedicht ‘Vincent 1000 cc’, met daarin deze regels: ‘meer dan een jaar dood/ kom je aanstormen/ uit die andere wereld// hoofd helm stofbril/ de gebruikelijke 2 jassen over elkaar/ helemaal leer plus jansen en tilanus/ onder de trui een pak kranten/ tegen bronchitis// je raast met 160 km langs/ op die blinkende grommende/ doodsoorzaak.’

Jansen & Tilanus was een bekend onderkledingmerk, maar daarvan ligt niets in het Literatuurmuseum. Van de Vincent 1000 cc is ook geen spoor. Wel is er een witte helm met een zwarte baan. De stof aan de binnenkant is bedrukt met een Schotse ruit. Het merk is Telex, ‘a quality brand’, made in Holland. Ik zet de helm op mijn hoofd, maar hij past niet. Hij is veel te klein, alsof ik mijn hoofd in een opengesneden kokosnoot probeer te persen.