De gesprekspartner van de koningin

door Nina Polak

Hella S. Haasse werd ooit door Adriaan van Dis aangekondigd als de schrijfster van Oeroeg en de gesprekspartner van de koningin.’ Van Dis haakte daarmee in op het populaire beeld van de auteur als keurig, bescheiden en oerdegelijk. Een dame die op theevisite ging bij de vorstin. Een voornamelijk Indische auteur, bovendien. Het is een beeld van Haasse dat ik herken, vooral van de foto’s: kalm, onnadrukkelijk, beheerst, een tikkie adellijk.

 

Imago en realiteit

 

Maar dat imago strookte niet met de realiteit, zo schrijft Margot Dijkgraaf in Spiegelbeeld en schaduwspel (2014), waarin ze het oeuvre van Haasse ontraadselt aan de hand van gesprekken met de auteur. ‘Ze kennen me niet echt,’ zei Haasse volgens Dijkgraaf vaak. ‘Ze wás niet zo bescheiden, niet zo sympathiek (...) als men wel dacht. Ze schrééf geen vriendelijke historische romans, ze bestudeerde ook het kwaad in de mens, ze keek achter de façades! Lás men eigenlijk wel wat ze schreef?’

 

Het misleidende beeld was er mogelijk omdat er aan Haasse opvallend weinig drama, polemiek of schandaal kleefde. Ze werd tot veler verbijstering dan ook niet gerekend tot de Grote Drie, die gezien werden als opwindend, taboedoorbrekend en grensverleggend. Haasse schold niet, zeker niet in de krant, en deed niet zo aan gekke seks.   

 

Wie zich interesseert voor de minder keurige kanten van Haasse zal zich echt moeten wenden tot haar werk. Dat ze, bijvoorbeeld, provocatief onbarmhartig met haar personages kon omspringen blijkt uit een roman als De Meester van de neerdaling, waarin ze een echtgenote laat eindigen in een kooi die onderwater gezet kan worden.

 

'Slechte vrouwen'

 

Hoe onbevreesd ze binnen de muren van haar werkkamer kon zijn, spreekt ook uit haar brievenboek Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven. Daarin correspondeert ze met de fictieve markiezin De Merteuil uit Les liasons dangereuses van Choderlos de Laclos (1741-1803). ‘U bent zonder twijfel de meest beruchte vrouwfiguur uit de Europese letterkunde,’ schrijft Haasse aan De Merteuil, die met haar verveelde, aristocratische liefdesspelletjes inderdaad de geschiedenis is ingegaan als kille, gevaarlijke verleidster, ‘een Richard iii in rokken’, ‘een satanische Eva’, een belichaming van het ‘volstrekte egoïsme’. 

 

Een gevaarlijke verhouding is een fictie-experiment, een essay en eigenlijk ook een subtiel soort polemiek ineen. In dialoog met de vinnige maar belezen ‘De Merteuil’ onderzoekt Haasse de positie van vrouwelijke literaire personages door de jaren heen. En dan vooral degenen die doorgaan voor ‘slechte vrouwen’: de verleidsters, de dievegges, de vrijzinnigen. Ze wil weten wat er tussen de regels door te lezen valt over deze personages.

 

De uitkomst is, typerend voor Haasse, niet eenduidig. De dialoogvorm versterkt die ambiguïteit alleen maar, en juist dat is het interessante. Haasse splitst zichzelf even op in twee vrouwen. Een van nu en een van toen. Het is haast beangstigend hoe goed ze zich weet in te leven in de aangeleerde kilheid van de Markiezin.

 

Een gevaarlijke aangelegenheid

 

Dat het boek zo’n indrukwekkende intellectuele exercitie is, blijkt nog beter als je de stapels aantekeningen bekijkt. Twee schrijfblokken stampvol, in een fijn, regelmatig maar moeilijk leesbaar handschrift, vormen de research. Lijstjes met ‘slechte vrouwen’, kleine essays over elk van hen, juridische casussen, ontvangstgeschiedenissen, wauw, Haasse deed haar huiswerk. Haar hoofd moet haast hebben gebarsten voor ze begon aan het schrijven zelf.

Dat verklaart misschien juist wel waarom het resultaat allesbehalve keurig was. Het brievenboek is levend en wervelend. Haasse heeft een gedegen essay de vorm laten aannemen van een huiveringwekkend menselijk drama. Dat is alchemie die met braafheid niets te maken kan hebben. 

 

Voor de auteur zelf, zo blijkt aan het einde van het boek, was het dan ook wel degelijk een gevaarlijke aangelegenheid. Ze laat zich, als stabiel getrouwde vrouw, makkelijker dan gehoopt meeslepen door de sceptische denkbeelden van de losbandige Markiezin. Vertolkt haar soms wel erg overtuigend. ‘U was te gevaarlijk voor mij,’ schrijft Haasse in haar laatste brief, vlak voor ze de opgeroepen verschijning van de markiezin haast ritueel weer uitbant. ‘U verleidde mij tot de twee uitersten die mij bedreigen: cerebrale spelletjes en fantasmen.’

 

Goed, Haasse weet deze ‘daimoon’ precies op tijd weer uit haar studeerkamer te verdrijven. Maar dat ze de kranten niet vol schreeuwde betekende niet dat ze geen riskante dialogen aanging. Integendeel, misschien wel. Hoe hadden die schrijfblokken vol moeten komen als ze aan het columnisten geslagen was?