De eeuwigheidswaarde van Willem Frederik Hermans...

door Thomas Heerma van Voss

Wat blijft er na iemands overlijden bewaard van zijn of haar literaire inspanningen? In veruit de meeste gevallen niets, en je kunt je afvragen of dat problematisch is of stiekem wel prettig: er verschijnt immers al decennialang overweldigend veel literair werk – niet alles kan de tand des tijds doorstaan. Van meer gevestigde auteurs blijven ook na overlijden de bekendste uitgaves wel in druk leverbaar, hoewel de publieke interesse in veel gevallen binnen een paar jaar geheel verdampt.

 

Wie leest er nu nog Simon Vestdijk? Ferdinand Bordewijk? Slechts van een heel select groepje auteurs blijft het oeuvre leverbaar. Ik ken geen Nederlandse auteur wiens literaire nalatenschap zo zorgvuldig beheerd en zo volledig uitgegeven wordt als Willem Frederik Hermans. En zelfs daarbij kun je je afvragen in hoeverre dat wenselijk is, en of hij dat zelf in deze mate en vorm gewild zou hebben.

In zijn toespraak Relikwieën en documenten – achttien bladzijdes tekst, opgenomen in deel 14 van de Volledige Werken – buigt Hermans zich zelf over deze kwestie. Hij droeg de tekst op 20 april 1985 voor bij de opening van de nieuwe behuizing van het Letterkundig Museum (zoals bekend inmiddels het Literatuurmuseum geheten). Het is een scherpe toespraak, vol semi-kritische terzijdes (de weduwe van Multatuli bemoeide zich met postume heruitgaves van zijn werk, had ze daar het recht toe?) en interessante voorbeelden (zoals over Vestdijks voorliefde voor zijn oude typemachine met een haperende ‘t’, die hij weigerde te vervangen ook al moest hij de ontbrekende t’s en T’s later met pen invoegen).

Wat de tekst vooral goed maakt is de onverwachte opbouw: gezien de aanleiding zou je verwachten dat Hermans in zijn toespraak een lans breekt voor literair archiveren, voor het secuur uitpluizen en vastleggen van iemands literaire oeuvre, maar het merendeel van zijn woorden besteedt hij juist aan het kritisch evalueren van die neiging. Want, zo schrijft Hermans, wat uit de nalatenschap van een schrijver komt eigenlijk in aanmerking voor zoiets als een literair museum?

Nadat hij is ingegaan op nagelaten meubilair en nagelaten huizen en die als niet-relevant heeft bestempeld, komt Hermans tot de kern van zijn beschouwing: ‘het door de schrijver beschreven, dan wel met zijn medeweten bedrukte papier’: ‘het meest explosieve deel’ van de nalatenschap, zoals de nabestaanden, beducht voor imagoschade voor de schrijver of voor henzelf, maar al te goed weten. 

Willem Frederik Hermans tijdens zijn toespraak op 20 april 1985 (foto: ANP)

Bij nagelaten literair werk doemt een aantal vragen op: hoe valt te achterhalen wat de auteur precies voor ogen stond met een bepaalde tekst? Hoe kan een schrijver zich nog verdedigen tegen verkeerde interpretaties en analyses wanneer hij er niet meer is? Als we bijvoorbeeld, zo schrijft Hermans, kijken naar het herdrukken van iemands werk: wat wordt gevolgd, het oorspronkelijke manuscript of een eerste druk, die soms aangepast is door een redacteur of uitgever? Hoe kun je bij aanpassingen achterhalen of de auteur ermee ingestemd heeft, aangezien zulke gesprekken ook per telefoon gevoerd kunnen zijn.

Het zijn stuk voor stuk intelligente vragen die Hermans stelt, vooral omdat hij je als lezer zelf conclusies laat trekken: inderdaad, het is na iemands overlijden niet vast te stellen wat hij of zij precies beoogde met een tekst, dus is het moeilijk, zo niet onmogelijk, om een echt adequate postume uitgave te realiseren. En dan gaat het alleen nog om reguliere uitgaves: wat te doen met eerder ongepubliceerd werk dat in iemands nalatenschap wordt aangetroffen? Door Hermans wordt dit omschreven als ‘het hoogste goed dat een letterkundig museum kan verwerven’. Hij onderscheidt meerdere types ongepubliceerd werk: het nooit verschenen boek, om mee te beginnen, waarbij je je moet afvragen waarom het niet verschenen is: wilde de auteur of de uitgever het niet? En in het eerste geval, waarom heeft de auteur het dan niet vernietigd, omdat hij er nog mee aan de slag wilde? (Of, ook een optie lijkt me: omdat hij droomde van postume publicatie?)

Ook zijn er de dagboeken die een auteur voor de buitenwereld verborgen heeft gehouden, en waarvan hij vermoedelijk ook nooit wilde dat ze geopenbaard zouden worden. ‘Echt interessant wordt het pas, als de schrijver er een dagboek op na gehouden heeft dat hij voor ieder verborgen heeft gehouden. Een dagboek vol geheimen.’ Eenmaal gepubliceerd, blijkt zo’n dagboek echter zelden geheimen te bevatten die het geheim houden waard zijn. En bovendien, aldus Hermans: ‘niemands oprechtheid is voor honderd procent betrouwbaar’.

En natuurlijk zijn er ook de brieven, die weliswaar al iets publieker zijn (want die worden doorgaans verstuurd), maar ook over het (postuum) uitgeven of openbaar maken daarvan toont Hermans zich sceptisch: wie bepaalt immers welke delen van iemands correspondentie openbaar gemaakt worden, wie maakt de selectie, worden de antwoorden en reacties ook volledig en waarheidsgetrouw geopenbaard?

Deze overpeinzingen verraden een wantrouwen dat misschien wel Hermans’ hele oeuvre kenmerkt: Hermans wantrouwt mensen die zich bemoeien met postume uitgaves. Omdat ze het doen voor eigen gewin, omdat ze zichzelf er sterker of sympathieker door willen presenteren, omdat ze niet willen of kunnen begrijpen wat een auteur oorspronkelijk met een tekst bedoelde. Het zijn overtuigende kanttekeningen, goed om bij stil te staan wanneer iemands oeuvre postuum wordt uitgegeven, maar Hermans lijkt eraan voorbij te gaan dat degenen die zich inzetten voor de publicatie van postuum geopenbaarde teksten, dat doorgaans doen uit liefde voor iemands geschreven woord. Uit de overtuiging, ook, dat ze teksten kunnen openbaren waarvan het zonde is als ze verborgen zouden blijven – zonder verdere bijbedoelingen.

Ergens moet Hermans deze kanttekeningen ook gehad hebben, hij trekt althans de nogal onverwachte conclusie:

Al deze bedenkingen tegen het bewaren van literaire relikwieën en documenten pleiten op het eerste gezicht misschien niet voor het in stand houden van een letterkundig museum. (...) Ik zal nu, in het kort maar met kracht, het tegendeel verkondigen, namelijk dat zo’n museum juist van het allergrootste belang is.

 

Meer dan een paar zinnen last hij daar niet voor in. Zijn motivatie: ‘Over schrijvers wordt tijdens hun leven heel wat beweerd, omdat er nu eenmaal kranten en televisieforums bestaan.’ En die zijn ‘onnauwkeurig’, ‘niet zelden opzettelijk leugenachtig’, ‘slordig’ en ‘kwaadaardig’. Wederom dat wantrouwen, maar dit keer als argument om werken toch tentoon te stellen.

Het slot van Hermans’ toespraak: ‘Protesteren, rectificatie eisen, naar de rechter lopen, zal vaak geen ander gevolg hebben, dan dat de tegenspartelende belasterde ook nog voor een ruziezoeker en een querulant wordt uitgemaakt. (...) In zo’n geval blijft er niet veel anders meer te hopen, dan dat later de waarheid toch nog zal worden ontdekt. Welnu, als dit al ergens zal geschieden, dan toch juist in een letter­kundig museum.’

Typoscript. Foto: Rob Mosterd

Wat blijft er over van iemands literaire inspanningen: in de meeste gevallen niets, maar in de wereld van Hermans kan een oeuvre dienen als postume verdediging. Als middel van een auteur om zichzelf te verdedigen tegen alle laster die over hem uitgesproken of opgeschreven wordt. Het merkwaardige is natuurlijk dat, zoals gezegd, bij mijn weten geen enkele andere Nederlandse auteur een zo uitgebreid gepubliceerd en secuur gearchiveerd oeuvre heeft als Hermans zelf. Ondanks zijn kanttekeningen bij postume uitgaves. Ondanks zijn wantrouwen. Ook van de toespraak Relikwieën en documenten zijn (tijdens zijn leven al) diverse tekstedities gemaakt, en veel van zijn briefwisselingen zijn postuum verschenen.

Foto: Rob Mosterd

Wat blijft er van hem over? Een omvangrijk, intrigerend oeuvre, compleet met tekstedities en geannoteerde briefwisselingen, dat wordt beheerd door het instituut dat zijn naam draagt, samen met het Literatuurmuseum – terwijl het Huygens Instituut zich weer intensief inzet voor zijn Volledige Werken.

De vraag die Relikwieën en documenten oproept: wat zou hij zelf nou van al die instituten, van zulke uitgebreide archivering hebben gevonden? Vleiend, al die aandacht voor zijn werk, voor deze postume kans om zichzelf te verdedigen? Of bovenal onwenselijk dat nog steeds mensen zich in zijn teksten verdiepen, dat er dingen naar buiten komen die hij tijdens zijn leven verborgen heeft gehouden, dat ik hier nu een stukje aan wijd?

Colofon

De foto’s van Rob Mosterd zijn afkomstig van de website Willem Frederik Hermans: Volledige werken (Stichting Willem Frederik Hermans instituut).