De brieven van Karel van het Reve aan Geert van Oorschot

door Thomas Heerma van Voss

Er zijn auteurs die een bijzonder intieme band met hun redacteur onderhouden: ze spreken elkaar dagelijks en ieder half geschreven hoofdstuk of toekomstig plan wordt gedetailleerd doorgesproken. Ook uit mijn omgeving ken ik zulke banden, die doorgaans in de loop der jaren steeds hechter worden. Aan de andere kant zijn er auteurs die hun redacteur nauwelijks spreken, die het liefst in afzondering werken en eigenlijk alleen van zich laten horen wanneer ze een manuscript voltooid hebben. Ze sturen hun werk op, wisselen nog enkele inhoudelijke berichten uit, informeren naar de verkoopcijfers en zonderen zich weer af om zich op een volgend boek te richten.

 

Alles goed hier, tot snel

 

De vele brieven die Karel van het Reve en uitgever Geert van Oorschot uitwisselden, doet een band uit de eerste categorie vermoeden. Bijna veertig jaar lang werkten ze samen: vanaf Van het  Reves eerste boekuitgave (Goed en schoon in de Sovjetcritiek, 1954) tot aan Geert van Oorschots overlijden in 1987. Ze stuurden elkaar brieven, één à twee A4'tjes lang, bijna altijd getypt; een enkele keer schreven ze iets met de hand of zonden ze een ansichtkaart vanaf een vakantieadres, haastige krabbels, alles goed hier, tot snel.

 

Maar ondanks de honderden brieven die ze elkaar stuurden, ondanks de tientallen projecten waaraan ze samen werkten, ondanks het ‘waarde kameraad’  waarmee Van het Reve zijn oudst overgeleverde brief aan Geert van Oorschot begint, en ondanks het feit dat ze elkaar hun halve leven kenden, bleef de toon van hun brieven verrassend zakelijk. Het ging om het werk. ‘De maand Mei is geheel en al verloren gegaan: niets geschreven voor Geert van Oorschot,’ schreef Van het Reve hem toen ze elkaar al jaren kenden – een terloopse opmerking die veel onthult over zijn werkdrift en over hoe hij Van Oorschot zag: Als iemand met (of voor) wie hij werkte. Van het Reve leverde de waar, Van Oorschot moest dat zo goed mogelijk uitgeven en verkopen. Natuurlijk veranderden de projecten waaraan ze werkten regelmatig, net als hun privéomstandigheden, maar wie de brieven leest zal in essentie geen verschil zien tussen die van de jaren vijftig en die van de jaren tachtig.

 

Dit betekent gelukkig niet dat de correspondentie flets is. Het heeft er vermoedelijk wel voor gezorgd dat de brieven tot op heden ongepubliceerd zijn gebleven – in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, de brieven tussen Van Oorschot en Karels broer Gerard Reve – maar het is fraai om te lezen hoe Karel van het Reves schrijverschap groeit. Hoe Van Oorschot hem, terwijl hij nog weinig bewezen heeft en geen publiek persoon is, alle vrijheid geeft zijn dissertatie tot debuut te bewerken. Hoe daar vervolgens Goed en schoon in de Sovjetcritiek uit ontstaat, en hoe Van het Reve met gedecideerde zelfverzekerdheid aan nieuwe projecten begint. Essays, beschouwingen, vertalingen vanuit het Russisch – steeds stort hij zich weer op nieuw werk. Vooral bijzonder is het vertrouwen dat Van Oorschot vanaf het vroegste begin in Van het Reve heeft, dat onmogelijk kan voortkomen uit commerciële afwegingen maar wel moet wijzen op oog voor zijn talent. Wanneer Van het Reve uit het niets aan een thriller begint, probeert Van Oorschot hem niet op andere gedachten te brengen, hij zegt meteen: ‘Ik ben zeer geïnteresseerd in die detective story.’ Niet veel later, in 1959, brengt uitgeverij Van Oorschot Twee minuten stilte uit, zoals de uitgeverij alles van Van het Reve uitbracht, ook toen zowel Van Oorschot als Van het Reve al overleden waren.

 

De onmiskenbare vertrouwelijkheid tussen de twee

 

De correspondentie die zij erop na hielden is niet, zoals andere literaire correspondenties, grillig of emotioneel. Er ontstaat een onmiskenbare vertrouwelijkheid tussen de twee, die nooit nadrukkelijk wordt benoemd. Bij het corrigeren van een fictiewerk dringt Van het Reve erop aan dat sommige namen veranderd moeten blijven: ‘Jij weet over welke mensen het gaat. Ik wil niet, dat het publiek daar achter komt, want enkele betrokkenen zijn nog in leven.’ Oftewel: hij rekent erop dat Van Oorschot dat vertrouwen niet zal beschamen. En dat doet hij ook niet, vertrouwen wordt tussen deze twee nooit beschaamd. Er voltrekken zich geen ruzies, er is geen breuk, er zijn geen verwijten of beschuldigingen.

 

Dat heeft een onmiskenbare charme. Soms wekken literaire briefwisselingen de indruk dat ze, hoe persoonlijk ook van toon, stiekem bedoeld zijn voor de buitenwacht, voor een publiek dat ze ooit in boekvorm of in het Literatuurmuseum zou nalezen. Bij deze voel je aan alles dat dat niet het geval is. We zien hoe twee mensen zich bezighouden met wat hun het meest aan het hart gaat: hun werk. We zien de alledaagsheid die daarbij komt kijken, een kant van het schrijverschap die vaak onbelicht blijft: het geploeter.

 

De omzet van mijn werk

 

Van het Reve heeft vaak duidelijk voor ogen wat hij met een boek wil, maar dat betekent niet dat hij volgens plan werkt. Regelmatig kondigt hij manuscripten aan die hij pas tijden later aanlevert. Of hij stuurt iets naar Van Oorschot waarover hij enkele dagen later per brief zegt: wacht met lezen, er komt een nieuwe, betere versie.

 

Ook boeiend: het gebrek aan terughoudendheid waarmee Van het Reve informeert naar verkoopcijfers. Nog geen jaar na zijn debuut vraagt hij al naar ‘de omzet van mijn werk’. In de jaren die volgen begint hij daar regelmatig over – omdat hij begrijpt dat de zakelijke kant van het geheel niet vergeten mag worden, dat iets wat geld kost ook iets moet opleveren. Van Oorschot weet dat ook, stuurt Van het Reve soms zelfs alleen maar afschriften, jaaroverzichten, die in hun kneuterigheid ook iets ontroerends hebben: ‘Beste Karel, in 1970 werden van je brochure “Kanttekeningen bij Ton Regtien” nog 56 exemplaren verkocht. Hiervoor komt je toe 56 x 0,19 = f 10,64. Dit bedrag laten wij vandaag naar je rekening overschrijven. Met hartelijke groeten, Geert.’

 

Die vreselijk anti-burgerlijke mensen

 

Negatief gesteld zou je kunnen zeggen dat zulke cijfers de brieven iets banaals geven, maar ook de banaliteit maakt ze interessant, niet alleen de zeer memorabele terzijdes. Zelf zal ik nooit meer hetzelfde denken over het nageslacht van W.F. Hermans nu ik weet wat Van het Reve erover dacht: ‘Ik hoor dat Willem Frederik een zoon heeft, die hij Ruprecht heeft genoemd. Dit heb je veel met die vreselijk anti-burgerlijke mensen, zegt mijn vrouw, ze geven hun kinderen van die oer-burgerlijke namen.’