De bijgelovige treiterkous

door Alfred Birney

Onlangs viel een oude ansichtkaart uit mijn rommelige boekenkast. Een Indonesische, waarop een peutertje met een boeddha-snoet ernstig twee boeken bekijkt. Ze viel uit de afdeling K., waarin Kafka, Kawabata en Kousbroek naast elkaar staan. Rudy Kousbroek is niet meer onder ons, dus zeggen bijgelovigen dat hij, de afzender, vanuit het hiernamaals aan mij dacht. De adem van zijn geest blies tegen een vergeten stapeltje papierwerk dat ik eens op de K.’s had gelegd, met bladmuziek, foto’s, aanmaningen, visitekaartjes en zo meer.

Rudy Kousbroek was antireligieus. Bijgelovig was hij wel. Dat merkte ik toen ik hem voor het eerst ontmoette op een feestje van Indische schrijvers en aanhang. Ik bevond me halverwege een trapbeklimming in een Amsterdams pand buiten de Grachtengordel, toen ik de beruchte essayist op de volgende overloop zag staan: in grijs kostuum, snoepend van een Indisch kroketje. Er hing een vreemde sfeer op die overloop. Ik kwam met een glas wijn in de hand bij hem staan en keek omhoog. Toen keek ook hij omhoog. Na ons deden de overige gasten op de overloop hetzelfde. Kousbroek zei peinzend: ‘Hier hangt iets…’  Ofwel, er was iets niet pluis in de atmosfeer. Met tastende handen begon hij de sfeer rond ons te polsen. Dat verbaasde me. Ik kende hem als een newage-hater en nu stond hij op die muffe overloop als een geestverdrijver met zijn armen te zwaaien. Later, op het balkon, hield hij een uiteenzetting over de functie van de bamboe windgong die er hing: de klanken ervan zouden boze geesten weren.


Het geheime document
 

Een half jaar later kreeg ik het verzoek van een uitgever om een bloemlezing Indische literatuur samen te stellen. Ik kon het ruime voorschot goed gebruiken, het was een haastklus dus het eerste wat ik deed was de gastvrouw van dat Indische feestje bellen. Ze nodigde me uit, ik besnuffelde nog even die spokende overloop voor ik haar woonkamer betrad en stond toen oog in oog met een antieke boekenkast met duizend boeken uit de Nederlands-Indische literatuur. Natuurlijk begon zij zich direct met mijn keuze te bemoeien. Ik wilde geen essay van Rudy Kousbroek. Het moest verhalend proza zijn en er moest een Indo in voorkomen. De gastvrouw zei dat ik dan maar de literator zelf in Leiden moest schrijven. Gedaan. Ik kreeg een brief terug, die ik niet meer kan vinden, met het verzoek hem te bellen. Waarop ik eerst door een wantrouwige meneer Kousbroek aan een langdurig telefonisch verhoor werd onderworpen, want hij haatte en vreesde redactionele wijzigingen. Eenmaal door die muur van achterdocht heen, bood hij mij een niet eerder gepubliceerd stuk proza aan. Maar dan moest ik ook coauteur Paula Gomes in de bloemlezing opnemen. Hij stuurde me per post prozafragmenten die bij het thema van mijn bloemlezing pasten. En zo loodste hij zijn bevriende schrijfster in het boek. Het typoscript bevatte de korte aantekening:

 

Het geheime document

 

Rudy

 

Dat is voorwaar een tekst van een jochie dat bondgenootschappen koestert, niet? Kousbroek woonde de boekpresentatie bij en tijdens de nazit in een Indisch restaurant werd hij amicaler en hij stelde voor elkaar te tutoyeren.


Oost-Indische inkt

 

Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) deed zoveel stof opwaaien onder de ‘kenners van de Indische literatuur’ dat ik een recalcitrant postkoloniaal ‘Indisch jaarboek’ schreef, in de traditie van de ambtenaren die dat in de kolonie deden, en Multatuli dat van hen afkeek. Yournael van Cyberney (2001) luidde de titel. De ansichtkaart die Rudy me stuurde moet uit dat jaar zijn, afgaand op de opdruk van de postzegels (niet het onleesbare poststempel):

 

Ze leren hier al

vroeg lezen zoals je

ziet. Het festival

van de poezie krijgt

veel aandacht,

foto’s in de pers etc.

Tot binnenkort,

 

H. gr. Rudy

 

Had hij mijn Yournael toen al gelezen? Hij schreef immers ‘tot binnenkort’, maar ik herinner me niet meer of hij en zijn tweede vrouw, Sarah Hart, mij al hadden uitgenodigd voor een Indisch etentje bij hen in de achtertuin of dat dat pas later was. Het kan ook zijn dat hij al een plan uitbroedde om mij naast hem op het podium te krijgen. Waarom? Nou, naar aanleiding van een in mijn Yournael minder vleiend terzijde over Oeroeg zou ik door Hella Haasse en haar paladijn Rudy Kousbroek ter verantwoording worden geroepen in het toenmalig Indisch Huis aan de Javastraat te Den Haag.

 

Dat was om precies te zijn op 21 maart 2002, toen onderstaande foto werd genomen met mij als angry young man tussen beide gelauwerde schrijvers. Tijdens dat debat, of kruisverhoor, sprak Rudy mij treiterig met u aan en zo leerde ik dat je weliswaar buiten het podium vrienden kunt zijn, maar op het podium vijanden. Dat zijn de regels van de literaire polemiek, die na hem versus Jeroen Brouwers nooit meer dat spannende niveau heeft bereikt. Op de foto is goed te zien dat Rudy me flink op de kast heeft gejaagd en hij mij vanachter zijn duivelse vuistje waarschijnlijk wat geschrokken maar toch geamuseerd opneemt. Hella Haasse, die tot dan toe nog geen woord heeft gezegd, kijkt wat van ons weg, terwijl gespreksleidster Esther Captain het publiek tot kalmte maant.


Nu komt het hilarische deel. Hella Haasse sprak.

 

U heeft mij een trut genoemd… zei ze en keek weer van me weg.

Onzin! riep ik uit.

 

Kousbroek, dol op een rel, én hondstrouw aan zijn bondgenoten, wees mij met zijn vingertje op de gewraakte passage. Ik zei dat hij niet kon lezen, en Hella ook niet. Ik had geschreven over ‘dat tuttig eurocentrisch romannetje Oeroeg’. Maar, zo redeneerde Haasse, als ik haar boek zo noemde, dan noemde ik haar een trut, wat volgens haar hetzelfde was als een tut.

 

Indisch bondgenootschap

 

Dat gebrek aan gevoel voor nuance tussen beide zelfstandige naamwoorden viel me wat tegen van ons zondagskind uit de Nederlandse literatuur, dat door iedereen lief werd gevonden, ja ook door mij en door Tjalie Robinson, die haar debuut als eerste afserveerde in Nogmaals Oeroeg, ruim een halve eeuw eerder in Oriëntatie (Jakarta, juni 1948). En zo ruzieden we verder over die heilig verklaarde novelle van haar. Iemand in het publiek zond een spervuur van kritische opmerkingen richting Kousbroek. Zelfs toen we het podium hadden verlaten en de uitgang zochten, bleef die vrouw maar tieren. Toen pakte Kousbroek de opgewonden lezeres bij de schouders en omhelsde haar ter kalmering. Wat een warmte ging er van die man uit!

 

In datzelfde jaar kwam ik als columnist van de Haagsche krant in de problemen als pleitbezorger van de multiculturele samenleving. Lezers belden de krant en eisten mijn vertrek. Maar Kousbroek en vooral zijn eerste vrouw, Ethel Portnoy (de bedenker van het broodjeaapverhaal), vonden mijn columns hilarisch. Het werd tijd voor Rudy om mij voor het ‘Indisch bondgenootschap’ te behouden. Vaderlijk hing hij aan de telefoon:

 

Drijf het niet zo op de spits, zei hij.

Dat moet jij zeggen, zei ik. Dat zou jij ook doen.

Ja, maar dat ben ik…

Hm…

 

Soms belde hij nog om een afspraakje te maken bij hem en Sarah thuis. Maar dat ging steeds mis. We publiceerden samen in Archipel Magazine, totdat ik hoorde dat hij ziek was. Sarah stuurde me de rouwkaart, maar ik verscheen niet op zijn begrafenis, uit schuwheid. Ik weet nu pas, net als hij toen, hoe snel de tijd gaat en dat er zaken zijn van hoger waarde dan altijd maar als een idioot boeken zitten schrijven. Gezellig eten en muziek maken bij Rudy thuis. Dat wilde hij. Onder Indische mensen voelde hij zich volkomen senang en sprak hij vrijmoedig oosters over energieën. Ik mag hopen dat zijn bijgeloof een hiernamaals dient en dat hij werkelijk die ansichtkaart van mijn boekenplank af blies.

 

De ansichtkaart behoort tot de collectie van het Literatuurmuseum.