De adviezen van Van Eeden

door Thomas Heerma van Voss

Op 10 juni 1918 schrijft Frederik van Eeden – die daarvoor zijn eigen papier gebruikt, met zijn naam keurig linksboven afgedrukt en daarachter zijn woonplaats, tevens de locatie van de door hem opgerichte kolonie/commune: ‘Walden. Bussum’ – een brief aan een nog niet gedebuteerde, onbekende dichter. Zijn naam: Johan Andreas dèr Mouw. Hij is een bijzonder intelligente taalkundige, docent en filosoof die al meerdere filosofische boeken heeft gepubliceerd. Maar vrijwel niemand weet dat hij ook poëzie schrijft. Nu wil hij daar verandering in brengen, na jaren waarin eigenlijk alleen zijn vrouw en dochter op de hoogte waren van zijn schrijfwerk (aan hen las hij alles voor). Begin 1918 stuurt hij zijn gedichten aan Jacob Israël de Haan, een reeds gevestigd auteur, die ze op zijn beurt laat lezen aan Van Eeden. En Van Eeden maakt vervolgens een afspraak met Dèr Mouw. Maar enkele dagen daarvoor stuurt Van Eeden hem al deze fraaie brief. Vier kantjes, in krasserig, maar goed leesbaar handschrift, en met een rits aan dwingende adviezen. 

 

‘Geachte heer,’ zo begint Van Eeden (1860-1932), hoewel hij enkele jaren ouder is dan Dèr Mouw (1863-1919) en ook een stuk bekender. Sterker nog, Van Eeden behoort op het moment dat hij deze brief schrijft tot de bekendste en invloedrijkste ‘spelers’ binnen het Nederlandse literaire veld – die achtergrondkennis is van belang. Want: dit zijn geen gelijkwaardige collega’s die van gedachten wisselen, hier adviseert iemand die weet hoe het binnen de boekenwereld werkt een beginneling en biedt hem op meerdere manieren zijn hulp aan.

J.A. dèr Mouw op latere leeftijd

 

Uw naam is niet mooi

 

Maar het eerste wat Van Eeden doet in zijn brief is iets anders: hij prijst Dèr Mouw. ‘U moet dit werk publiceren, dat staat vast, u moogt het niet langer verborgen houden.’ Van Eeden is blijkbaar zo enthousiast dat hij geen zin verspilt aan inhoudelijke aarzelingen of verbeterpunten, of dat hij iets praktisch noemt als een mogelijk geïnteresseerde uitgeverij. Nee, direct denkt hij al na over een concrete uitgave: ‘Een literaat behoeft u daarom [met het niet langer verborgen houden, THvV] niet te worden. Dat werd ik ook niet. Maar de publicatie moet met beleid geschieden, om de waardering niet te bemoeilijken. Ik raad u een kort mooi pseudoniem te kiezen. Uw naam is niet mooi, en het past u misschien nog beeter een zelfgevonden naam te dragen.’ Waar het woord ‘zelfgevonden’ staat, stond aanvankelijk ‘eigen’, maar dat woord heeft Van Eeden doorgestreept. ‘Uw loopbaan moet terstond aan een krachtige naam verbonden worden. Dat is ook gemakkelijk voor den docent geleerde en filosoof dèr Mouw, die rustig blijft lesgeven, terwijl het vliegtuig ergens omhoog onzichtbaar lonkt. Ik zou zoo lang mogelijk verborgen houden dat docent en dichter één persoon zijn.’
 

Van Eeden geeft dus, kort samengevat, zowel een esthetisch argument als een pragmatisch argument. En al klinkt de zin waarin hij de mogelijkheid van het pseudoniem opwerpt nog vrij neutraal (‘ik raad u’), Van Eeden is bijzonder dwingend in zijn brief. Door dat veelvuldige ‘u moet’. Door de stelligheid van zijn zinnen: woorden als ‘misschien’ of ‘vind ik’ gebruikt hij niet. En ook door het feit dat hij aan Dèr Mouws poëzie maar één zin besteedt en aan het eventuele pseudoniem meerdere alinea’s.
 

Van Eeden geeft nog meer concrete adviezen aan Dèr Mouw, uitgedacht en uitgebreid, wat je kan interpreteren als blijk van betrokkenheid maar ook als teken van bemoeizucht. De toon is wonderlijk direct. ‘Ik zou ook niet alles in eens publiceren,’ schrijft Van Eeden, ‘maar achtereen volgens in drie of vier bundels. Ik zou beginnen met enige sonnetten in het weekblad “De Amsterdammer”. Ik kan u daar elke week een zeekere ruimte afstaan. (…) Als men uw werk op die wijze heeft leren opmerken en kennen, dan kunt u een eerste bundel publiceren, met een voorwoord van mij. Dat zou dan teegen het najaar zijn. (…)’

 

En even later: ‘Ik zal vragen u het hoogste honorarium te geven en naar een uitgever behoef ik ook niet lang te zoeken. (…) Morgen zal ik een paar van uw sonnetten voorlezen op de vergadering in het Instituut van Wijsbegeerte. U heeft daar toch zeker niets teegen.’ De opmerking over dat voorwoord heeft al iets hooghartigs, de laatste zin van de brief is helemaal schrijnend; aangezien een brief terug er minstens een dag over zou doen had Dèr Mouw niet eens de mogelijkheid om dit ‘aanbod’ niet te accepteren. En je kunt je afvragen of Dèr Mouw wel wilde dat zijn nogal persoonlijke poëzie zomaar gedeeld zou worden. 

Frederik van Eeden in zijn werkkamer te Walden

 

Adwaita

 

Hoe dan ook heeft hij zich er niet expliciet tegen verzet, want in de volgende maanden wisselen Van Eeden en Dèr Mouw brieven uit. En, misschien wel belangrijker: laatstgenoemde doet uiteindelijk alles min of meer of zelfs exact wat Van Eeden hem voorschrijft op 10 juni 1918. Hij neemt om te beginnen een pseudoniem aan: Adwaita, wat letterlijk ‘tweeheidsloos’ schijnt te betekenen. Als verklaring hiervoor wordt er in secundaire literatuur vaak op gewezen dat Dèr Mouw veel wist van oosterse, mystieke wijsheid, waarin een duidelijke scheiding tussen het ik enerzijds en de wereld anderzijds centraal staat – en in zijn poëzie wilde Dèr Mouw die tweedeling juist opheffen.


Ook in andere opzichten volgt Dèr Mouw het traject dat Van Eeden heeft uitgestippeld. Zo verschijnen er via Van Eeden inderdaad enkele gedichten van Adwaita in De Amsterdammer. In datzelfde tijdschrift noemt Van Eeden Dèr Mouws poëzie overigens ‘een evenement in de litteratuur’. Daarna volgen – ook via Van Vriesland, een leerling van Dèr Mouw die later naam maakt als dichter – meer publicaties: Albert Verwey plaatst een aantal gedichten van Dèr Mouw in zijn tijdschrift De Beweging, Willem Kloos in De nieuwe Gids. En hij verdeelt zijn poëzie inderdaad over meerdere bundels: Brahman 1 en Brahman 2. Maar hij maakt de publicatie van de eerste al niet mee: in 1919 overlijdt Dèr Mouw. Zijn doodsoorzaak is nooit officieel vastgesteld. Wel blijkt later, tot veler verbazing, dat hij zijn dood min of meer voelde aankomen. Dat hij daarom zo aandrong op vroege publicatie. Wat overblijft is een verzameling gedichten, die later inderdaad in meerdere bundels en een verzameld werk zijn uitgegeven. En deze brief, een mooi erfstuk uit een verloren tijd, toen de belangrijkste dichter van Nederland nog een van de belangrijkste figuren in het Nederlandse literaire landschap was, en zonder ook maar een bijzin te besteden aan autobiografische zaken of pr voluit schrijft: als je een bundel wilt uitbrengen, prima, dan moet het zo. Verander je naam, breng het naar buiten zoals ik het je aanraad, en dan komt het allemaal goed.