Dansen om het drama

door Philip Huff

Lubertus Jacobus Swaanswijk (1924-1994), pseudoniem: Lucebert—of ‘Keizer van de Vijftigers’, zoals één contemporaine criticus hem reeds noemde—leefde als jonge kunstenaar onstuimig (hij leefde buiten, sliep op banken), schreef onstuimig (de woorden botsten op elkaar), en schilderde onstuimig (de kleuren en vormen botsten op elkaar). Hij had, tot zijn huwelijk met Tony Koek in 1953, ook een onstuimig liefdesleven.

 

Lucebert debuteerde in 1951 als dichter met de bundel Triangel in de jungle, een sterk experimentele, expressieve bundel, maar bijvoorbeeld ook gevuld met gedichten tegen de politionele acties in Indonesië. Twee jaar eerder had hij als beeldend kunstenaar deel uitgemaakt van de CoBrA-tentoonstelling van Wim Sandberg in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

De ‘dichterskooi’ op de CoBrA-tentoonsteling in het Stedelijk Museum in 1949: Sybren Polet, Gerrit Kouwenaar, Jan G. Elburg, Bert Schierbeek en Lucebert

 

Van de Vijftigers—Claus, Kouwenaar, Vinkenoog, Schierbeek en Campert—was Lucebert in het begin de bekendste: toen hij in 1953 bij ontvangst van de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor de bundel Apocrief als keizer het Stedelijk Museum wilde binnengaan, was Campert zijn vazal (de ceremonie werd afgelast).

 

De Vijftigers vonden zichzelf ‘vrije mensen’, zij ageerden tegen kleinburgerlijke conventies, tegen de ‘lagen’ beschaving en de ‘lagen’ die op kunst werden gelegd, zij dachten en werken met hun ‘tong en handen’. Zij wensten opnieuw te beginnen, het allemaal anders te doen.

 

Eind jaren veertig, begin jaren vijftig, woonde Lucebert in bij de zes jaar oudere collega-dichter Bert Schierbeek en Frieda Koch. Schierbeek en Koch waren getrouwd en hadden kinderen, Lucebert was vrijgezel, schilder, dichter, schavuit:

berooid te huis dat nooit mijn eigen is/ leef ik van erbarmen en van ergernis/ en word leger langzaamaan en armer/ aan veel genegenheid voor velen

Uit: Unica

 

En toch stapten ook de Vijftigers in de vallen van het leven: Lucebert en Koch kregen een affaire, eerst in het geheim, daarna publiekelijk, wat een lastige driehoeksverhouding teweegbracht. Schierbeek en Lucebert waren nu niet alleen collega’s op papier, maar ook in bed.

 

Hoewel, zoals iedereen weet die wel eens verliefd is geweest op iemand die ‘bezet’ is, in liefde en oorlog is alles geoorloofd, en in beide gevallen worden vaak de eerste zetten op papier gedaan.

 

De brieven die Lucebert en Koch tussen 1950 en 1952 aan elkaar schreven zijn in het bezit van het museum. Het zijn niet de eerste, voorzichtig verkennende stappen van verliefdheid, de vonk tussen de twee was duidelijk al eerder overgeslagen. De aanhef van een brief van Lucebert, geschreven op woensdagavond vierentwintig november 1950: ‘Lieve poppetje [sic],’ en dan: ‘de hele middag heb ik lekker geslapen in de salon van Vinkenoog want ik was moe’: de intimiteit van een slapende geliefde. Hij vervolgt met ‘lieveling’, en ‘fijn als ik je weer zie’.

 

Het zijn keurige, afgemeten, welhaast burgerlijke zinnen. Nu was Lucebert een vitaal poëet, een meteorietspoor—kort oplichtend, soms amper te volgen—maar bij tijd en wijle ook een romantische ziel:

 

Over het krakende ei / dwaalt een hemelse bode / op zoek naar zijn antipode / en dat zijt gij

Uit: ‘Poëzie is kinderspel’

 

En ook in de huiselijke sfeer:

 

op de drempel stond armenkruis je stem

en ik proef in huis je tranen in een vaas staan

Uit: ‘Een liefde’

 

Lucebert eindigt zijn brief aan Koch met ‘Dag mijn lievelingsoorlammetje, Je Lucebert – groeten aan Bert, Saskia en Michiel’ (de twee kinderen) en een andere met: ‘Overal gekust door / Jouw Lucebert’.

 

Een andere brief, gedateerd vier december 1950, begint met ‘Lievelings Poppetje, mijn engel,’ en gaat zo verder:

 

pas op, ik schreef je in de brief die ik vandaag aan je verzond dat we morgen naar Z-Frankrijk zouden vertrekken maar dat was een voorbarig en onjuist bericht, we blijven hier in Parijs nog een tijdje want Remco vindt dat we nog nauwelijks iets van Parijs hebben kunnen genieten in zo'n korte tijd dat we hier zijn.

De brieven, met de hand geschreven, soms over uitgetikte versvellen heen, bevatten veel van dit soort dienstmededelingen. In dezelfde brief vraagt Lucebert Frieda hoe zij zijn ‘sociabiliteit’ ziet, en even later dat het ‘diep in de nacht is’ en dat hij zich voorstelt hoe zij ‘stil ligt te slapen, je mooie ogen dicht’.

 

Kortom: ze dansen om het drama heen dat deze affaire moet zijn geweest (Schierbeek in De andere stemmen. Portret van Bert Schierbeek, een boek van K. Evers: ‘Je kunt mekaar dan de trap afslaan, maar dan kun je wel aan de gang blijven. Smeet je hem de voordeur uit, dan werd hij liefdevol door de achterdeur naar binnen gesleept. Uiteindelijk ben ik dus maar zelf opgestapt.’) Het is aanlokkelijk flarden van gedichten op de versvellen als een verhaal achter dit verhaal te zien:

 

Een bundel gedichten zou ik nu au noemen, moeten noemen wanneer ik eerlijk was maar ik ben niet eerlijk

 

En:

 

ik weet dat ik van je hou wat je wilt weten maar vraag me in godsnaam niet waarheen

De wanhoop van de minnaar, uitgesproken tegen zijn vrouw—de vrouw van een ander. Maar die wanhoop is zeldzaam: veel van de andere brieven zijn geschreven op gelijnd papier en bevatten tekeningen (‘leuk, niet?’) en het taalgebruik is nu vaak ronduit lieflijk én kleinburgerlijk.

 

Eén brief, geschreven op ‘vrijdagnacht de 19de Oct. 51’ begint echter zo:

‘Mijn lieve cranachvrouw,

 

 In een van mijn vorige brieven schreef ik je dat ik Bert en de kinderen ben gaan haten. Ik kom op dat woord terug omdat ik vrees verkeerd begrepen te worden. Die haat betreft niet Bert persoonlijk, noch de kinderen ieder afzonderlijk. Maar misschien ken jij mij beter dan ik dacht en is dus mijn vrees ongegrond. Onze ‘situatie’ kunnen we zowel droevig als belachelijk noemen, wanneer we bedacht hebben dat we in verkeren tegelijk individuen en als typen geschapen door de conventie [sic].

 

Vanuit het standpunt van de echtgenoot en de huisvader ben ik voor Bert een laaghartige karakterloze verleider en ik op mijn beurt zie, vanuit het standpunt van de minnaar ener getrouwde vrouw, Bert niet anders als de domme burgervaâr met half-feodale mentaliteit. Beide beoordelingen zijn vanuit beide standpunten juist.’

 

[Foto: Bert Schierbeek in 1953]

 

De taal blijft ook hier wat onbewerkt en afstandelijk, maar maakt wel duidelijk wat Lucebert voelde en dacht: in elke tegenstelling—die tussen burgervader en minnaar—wil elk van de twee polen de andere pool overwinnen. Lucebert zegt dat hij nooit helemaal geloofde in een ‘menage a troi’ [sic] maar neemt Schierbeek wel zijn ‘larmoyante’ houding kwalijk: ‘ik geloof in sterke verhoudingen’. Daar hebben we Lucebert de Vijftiger weer, zij het niet in woordkeus dan wel in wereldbeeld: dat van de vitale Vijftigers. Lucebert noemt zichzelf in de brief echter een ‘nihilist’ en geen ‘nihilist’ gaat ‘zonder vuile handen door de wereld’. ‘Maar de nihilisten branden’. Of branden óp.

 

De affaire eindigde in de loop van 1952 of aan het begin van 1953. Ik weet niet waarom. In De andere stemmen zegt Lucebert: ‘Ook ik werd weer bedrogen: vertaler Nico Lijsen was de ware’, maar dat is misschien enkel Luceberts kant van het verhaal. Hoe dan ook: niet veel later ontmoette de dichter Tony Koek.

Lucebert en Tony Koek in 1955

 

Uit februari ’52 stamt nog een lieve brief uit Parijs en van nog iets later een getypte brief als antwoord op een bericht van Koch, waarin ze schijnbaar vertelt over Bert en zijn nieuwe geliefde—en de ‘lijdzame houding’ die ze daarin heeft aangenomen. Lucebert preekt in zijn antwoord ook over de kunsten (de hele brief is de moeite van het lezen waard), een kleine tirade waarin ook een verwijzing naar zijn eigen levenshouding te lezen is:

‘wat mun werk aangaat vind ik mezelf zo eenvoudig en zo doorzichtig dat ik niet begrijp dat mensen me voor zo revolutionair houden of in het ongunstige voor zo’n nietkunner. Ik ben toch een ouwerwetse stefan georgische symbolist en rilkeaanse religieuse estheet! maar enfin, wat doet het er toe, de mensen moeten het maar onderelkaar uitmaken. Er wordt al genoeg geouwehoerd over litt. e.d. De kunst is in de meeste gevallen een mooi tapijt waaronder het geweten verstopt wordt. niet alleen esthetisch, maar ook zeer ethisch. Maar dan weer: in de moraal verbergen de mensen voor zichzelf en voor de ander hun angst voor god, voor de dood, en hun liefde tot god en tot het leven.’

 

Deze brieven, net als de enkele jaren terug verschenen bundel Unica, laten zien dat de jonge dichter onstuimig was, en onstuimig hunkerde—naar liefde, naar erkenning, naar een plek in de wereld: ‘tot spoedig weerziens, ik verlang naar je, je bent mun engel, ik de jouwe, helemaal jouw Lucebert’.

 

Een jaar later, in 1953, verscheen dit gedicht in zijn bundel Van de afgrond en de luchtmens:

van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen
van hoe de mensen webben spinnen en sterven
van savonds versierde hyenaas en cocons in de ochtend
van zwaar slapen aanblazen en van de vraatzucht


[…]

 

altijd en overal anders zijn de mensen want anders
dragen zij de aarde: vaak door de slaafse spreekbuis
hinkend zij dragen de aarde of vallend van de statietrap
zij torsen de aarde maar nooit en te nimmer zij nemen
de aarde aan als een wind in ’t gezicht in het web

 

door donkerte nader zij komen met allen en alles
en daar gelijk is het oor aan de mond het hoofd aan het hart
aan alles aan allen gelijk het licht zij vloeien het toe

 

In een tijd waarin het woord ‘genie’ vaak al voor niet al te veel over de toonbank gaat, is Lucebert een welkome herinnering aan de mogelijkheid van een Hollands genie—de schilder van het licht—en een schitterend antwoord op deze hunkering, ‘iets toe te vloeien’. Dat genialiteit in Nederland vrijwel altijd met een zekere mate van burgerlijk gedans gepaard gaat, zelfs in het geval van de keizer der Vijftigers, demonstreren deze liefdesbrieven. Erg is dat niet. Want zo, blijkt maar weer eens, ontwikkelde Lucebert de wereld en liet hij zijn liederen zingen.