Bloem in het Witsenhuis

door Roman Helinski

Mevrouw Augusta Maria Witsen-Schorr laat in 1940 per testament bepalen dat het Willem Witsenhuis aan het Oosterpark te Amsterdam na haar verscheiden aan de staat zal worden overgedragen, met de uitdrukkelijke verplichting om het huis beschikbaar te stellen voor talentvolle letterkundigen. Belangrijke voorwaarde: de letterkundigen moeten armlastig zijn. Daaraan voldoen in elke generatie zowat alle schrijvers, dichters en toneelschrijvers, dus geschikte kandidaten vinden is tot op de dag van vandaag geen probleem gebleken. Het huis staat dan ook nog steeds fier overeind aan het Oosterpark, en weinigen weten van het bestaan ervan. Ik wist het zelf ook niet tot ik erop werd gewezen door een bevriend schrijver. Vanachter de hoge ramen op de tweede verdieping heb je een prachtig uitzicht op de parkvijver. Als er in de winter wordt geschaatst, kijk je uit over een winterlandschap van Hendrick Avercamp. Op deze tweede verdieping waren vroeger de ateliers van de schilders Breitner en Israëls, en van de naamgever van het huis: Willem Witsen. Ook befaamde Tachtigers zullen wel eens een blik uit de ramen hebben geworpen. Jacques Perk, Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel waren geliefde huisgasten, op een manier die in de hedendaagse culturele wereld nog maar zelden voorkomt.

           

In 1949 plaatst J.C. Bloem zijn handtekening onder een wooncontract voor de rez-de-chaussée op de benedenverdieping ‘bestaande uit twee kamers, keuken, douchecel met geyser en WC’. Kosteloos door hem te bewonen voor een periode van vijf jaar. Bloem verblijft dan echter al ruim drie jaar in het huis.


Na de dood van de weduwe Witsen in 1943 gaat in de literaire Amsterdamse wereld al snel het gerucht dat er in het Witsenhuis schrijversresidenties komen. Maar de oorlog is dan nog gaande, dus het is niet het juiste moment. Een halfjaar na de bevrijding neemt de gelauwerde dichter Bloem contact op met de minister van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen.

 

Hierbij heb ik de eer, Uwer Excellentie met verschuldigden eerbied mede te deelen, dat ik gaarne in aanmerking zou komen voor de bewoning van een gedeelte van het Witsenhuis te Amsterdam.

Op het moment van schrijven verblijft Bloem in een armetierig onderkomen in Warnsveld, waar hij nauwelijks aan dichten toekomt omdat zijn leefomgeving hem aanvliegt. Een halve toezegging aan hem volgt, maar voordat er sprake kan zijn van bewoning moet er een ingrijpende verbouwing plaatsvinden. In het testament staat dat er drie appartementen komen in het grote huis, zodat er steeds drie letterkundigen kunnen wonen. Toestemming voor die verbouwing is om uiteenlopende redenen moeilijk te verkrijgen, en Bloem mag toch alvast zijn intrek nemen op de tweede etage: de verdieping met de hoge ramen die een prachtig uitzicht bieden op het park. In de ongestoffeerde kamer installeert hij zich. Hij krijgt van de commissie die over het beheer van het huis gaat uiteindelijk enkele authentieke meubelstukken in bruikleen. Er is een defect aan de schoorsteen, dus enige tijd zit Bloem in de betrekkelijke kou van dit statige huis met kille vloeren. Als er dan toch een kleinere verbouwing plaats heeft gevonden, verhuist Bloem naar de benedenverdieping. In een brief aan de commissie schrijft hij dat hij heeft vernomen dat ‘enkele meubelstukken (natuurlijk niet de mooie, antieke) zouden worden verkocht. In dat geval zou ik zoo graag de boekenmolen en een schraag met het kleed erover, die in het atelier staan, willen overnemen. Ten slotte nog dit: de gordijnen, die in het atelier hangen, mogen daar toch zeker wel blijven? Ze leken mij nog best bruikbaar en er is zoo moeilijk aan te komen.’ Op de bovenverdieping woont in die periode het gezin Bert Voeten-Marga Minco. Allebei schrijvend. Bloem moet ze hebben horen lopen in het trappenhuis als ze thuiskwamen van een dagje in de stad, hij zal de vloer hebben horen kraken als ze te hard hun voeten verplaatsten. Hij schrijft Marga Minco als hij haar verjaardag heeft gemist een gedichtje: 

31 maart 1950

 

Voor Marga

Hoe kon ik ’t weten? Geen bevriende mond

Deed mij van ’t feit van je verjaardag kond

Te laat daarom stijgt naar de derde étage

Een heilwens op van de begane grond 

 

In zijn natuurdagboek schrijft Nescio: ‘Bloem zit nog altijd aan het Oosterpark zoo’n beetje te dichten achter de clivia’s.’ Er schuilt iets treurigs in die typisch Nesciaanse zin. Met J.C. Bloem gaat het namelijk niet goed. Drankzucht, een steeds zwakker gestel en insomnia zitten hem dwars. Bovendien heeft hij schulden. Geregeld verschijnt een dreigende deurwaarder. Wel meer bewoners van het huis hebben nu en dan last van dit soort bezoek. Vanuit de grote ramen loeren ze als er aan wordt gebeld omlaag om te zien of ze open kunnen doen. In zijn Witsenhuis-jaren wordt Bloem bekroond met de P.C. Hooft-prijs en de Constantijn Huygensprijs, maar toch blijft het kwakkelen. Hij onderhoudt een buitengewoon slechte relatie met de huisbewaarder en zijn vrouw. In die tijd schrijft hij een van zijn bekendste beginstrofes: 

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,

En niet slapend denk ik aan de dood

(‘Insomnia’, 1951)

Vaak ligt hij ’s nachts wakker, en slaapt een gat in de middag. Een fraai kattebelletje uit die tijd aan zijn bovenbuurman heeft te maken met dit ongebruikelijke ritme. Aan Bert Voeten:

 

Maar mag ik je nu nog een dienst vragen? Ik moet morgen (vandaag) om 10 uur op, maar mijn wekker is onbetrouwbaar. Zou je mij met vuistslagen op mijn ramen willen wekken?

 

Bloem woont al met al veel langer in het Witsenhuis dan de overeengekomen vijf jaar. In 1958 krijgt hij de boekenmolen waar hij zo’n tien jaar eerder om heeft gevraagd. Een jaar later verlaat hij het huis om op een woonboot in Kalenberg te gaan leven met Clara Eggink. De kamer die hij achterlaat wordt opgevuld door een andere letterkundige. Zo gaat het elke keer, idealiter om de vijf jaar. Tot op de dag van vandaag. De enige vaste bewoner van het Witsenhuis is volgens sommigen de geest van de weduwe Witsen-Schorr zelf – die in haar voorzienigheid postuum al ruim zeventig jaar letterkundigen de kans geeft om zich aan hun literatuur te wijden.

 

De auteur van dit stuk woont zelf sinds enkele maanden in het Witsenhuis. Bij het schrijven van dit artikel heeft hij geput uit het boek Het Witsenhuis door Jessica Voeten, de dochter Marga Minco en Bert Voeten.