Beste vriend

door Renée van Marissing
Brieven van Doeschka Meijsing aan Charlotte Mutsaers

Wat doe je?

Ik schrijf.

Je tikt niet.

Ik lees, als voorbereiding op het schrijven.

Ja ja. Wat ga je schrijven?

Een tekst over een schrijver en haar honden.

Waarom hónden?

Bemoei je er niet mee.

Schmie knort, haalt haar poten van mijn schouder en gaat weer op de rugleuning van mijn stoel liggen.

 

Wat ik lees zijn brieven geschreven door Doeschka Meijsing. Ze zijn gericht aan Charlotte Mutsaers en gaan over het hebben van en leven met honden. Zowel Mutsaers als Meijsing leven jarenlang samen met honden en voor allebei, zo blijkt uit hun werk en uit interviews, zijn de dieren een regelmatig terugkerend en dankbaar onderwerp in hun werk en zo ook in deze correspondentie. 

 

De eerste brief schreef Doeschka Meijsing op 8 januari 1990, tijdens een vakantie in het Franse Tasque.

 

Beam is een kroonprins! Hij springt door de bergen, hij danst door de velden en door de ruit. Had ik je dat al verteld? Dat Beam op een morgen wakker werd, dacht hoi! we gaan naar buiten en dwars door het raam van mijn slaapkamer op zolder sprong? Geen gewonden, wel veel glasgerinkel en een zéér verbaasde Beam. Zijn record tot nu toe is: twee gebroken bordjes, een gebroken ovenschaal, een gebroken ruit, een ½ pond matoque-kaas en een stuk cantal-kaas. Gelukkig dat die hond is!

 

Een dier kan je aanzetten tot actie. Poes Schmie heb ik jaren geleden van een vriendin gekregen in een poging me van een lang aanhoudende slechte bui af te helpen. Een dier dat op je bed springt en niet weggaat tot je eruit komt om het eten te geven. Daarin is de hond de overtreffende trap van de kat, met een hond moet je een paar keer per dag de deur uit om een wandeling te maken.

 

Het is elke ochtend een genot wakker te worden en zijn enthousiaste wil om de dag te beginnen te merken: Hoi! Daar is dat leuke mens. Kom we gaan! We gaan!

 

In Tasque wandelt Meijsing twee keer per dag met de hond heen en terug naar een Baskisch kruis.

 

En aangezien mijn voorouders Basken schijnen te zijn geweest die naar Duitsland trokken, is dit mijn dagelijkse bedevaart.

In haar verhalenbundel Beste vriend (1994) geeft Meijsing de hond met enige regelmaat een stem. Hij wijst haar terecht en leest haar de les.

Uit het verhaal ‘De nacht van Altea’:

 

'Rampenplan',  mopperde mijn hond toen hij merkte dat de lange vrolijke wandelingen van het scenario waren afgevoerd en dat hij het het najaar met krappe, norse uurtjes door de stad moest doen omdat ik liever thuis zat te kniezen.

 

Dit fragment zou op het verblijf in Tasque geïnspireerd kunnen zijn.

 

Ach Charlotte, ik kan het leven in Amsterdam niet voor altijd missen, maar wat gedij ik hier goed. Elke dag hetzelfde ritme, het verveelt me geen moment. Ik werk en wandel en wandel en werk.

 

Zowel hond als mens kennen en delen het verlangen naar land in plaats van stad.

 

Na Beam kwam Romeo, die maar kort is gebleven, zo blijkt uit de tweede brief (17 april 2003).

 

Deze adorabele, blonde wolfsjongen moet niet in een stad opgesloten zitten, hoe vaak je ook met hem naar 'buiten' gaat.

 

Blijkbaar heeft Mutsaers Meijsing een brief gestuurd waarin ze haar verwijten maakt omtrent het wegdoen van Romeo. De verdediging:

 

Ik was gewoon fysiek niet sterk genoeg voor hem. En ik blijf bij mijn overweging dat ik het onverantwoordelijk vind als ik zelf op een kwade dag in een invalidekarretje zit omdat ik weer door een van zijn natuurlijke driften ten val ben gebracht. (...)

Met de komst van Romeo in mijn leven heb ik voor het eerst beseft hoe een moeder zich moet voelen ten opzichte van haar kinderen. Romeo was zo anders dan de meditatieve Beam – en toch hield ik van hem evenveel als van mijn eersteling.

 

Ik heb een nederlaag geleden met Romeo.

 

Zo besluit Doeschka Meijsing haar tweede brief.

 

In het verhaal ‘De dromen van honden’, ook uit Beste vriend, vertelt de ik-persoon over haar hond:

 

Zijn aanwezigheid is zo tot in alle hoeken en gaten van mijn huis kenbaar gemaakt, dat zijn absentie (…) medeplichtig is aan zinloosheid.

 

Herkenbaar. Terwijl ik deze tekst een aantal weken liet liggen, werd Schmie ziek en steeds zieker tot ik het haar niet meer kon aandoen verder te leven. Nu mis ik de nagels in mijn schouders tijdens het schrijven, de sprong van de stoelleuning op het toetsenbord. Ik hoor mezelf niet meer hardop praten, ik hoef mijn bed niet meer uit.