Being boiled hurts

door Bregje Hofstede

Geinspireerd door Charlotte Mutsaers

 

Ik wil leren schilderen als Lucian Freud. Als Francis Bacon. Ik wil vlees leren schilderen, zó dat je het voelt, niet onder je vingers maar van binnenuit. Dat je voelt wat het vlees voelt. Ik wil in alle grote musea hangen, in de galeries in Brussel en Londen en New York, en de mensen met kippenvel naar buiten sturen, misselijk, rillend.

Maar voorlopig ben ik de enige die rilt. Als ik opkijk van mijn snijplank zie ik het glimmende hoofd van mijn baas, dikke Bram, met de levervlekken en de enkele verdwaalde haar. Hij staat over een kreeft gebogen.

 

Het is nog vroeg, het is de tijd waarop hij grapjes maakt. Nu is de grap het grijze beest voor hem op het aanrecht, dat voorzichtig met haar voelsprieten wuift alsof die trage golfbeweging het water kan oproepen waar ze naar verlangt. Wat een vreemde beesten zijn het toch, zegt Bram, alsof hij nog nooit echt goed gekeken heeft. Lelijke kale beesten zijn het.

 

Hij pakt een mes en snijdt de bandjes door die de scharen strak samenbinden. Dan vist hij een potlood uit het mandje met opschrijfboekjes en steekt die in de klauw van de kreeft, die zich langzaam opent en vervolgens om het kale hout sluit.

 

Moet je kijken. Het is een linkspoot, net als jij.

 

Hij trekt aan het potlood, de kreeft beweegt schokkerig mee, en ik plooi mijn gezicht van ergernis, omdat het voelt alsof iemand in een drukke bus steeds tegen mijn rugzak stoot.

 

Dan pakt dikke Bram een stronk gember en wurmt hem in de andere schaar. Krakend knijpt de kreeft die dicht. Het sap bubbelt tevoorschijn. Was het zijn vinger, zou die ook zo klinken?

Ik kijk naar mijn eigen handen die de uien snijden. Elke dag minstens vijftig sjalotjes, de zomer lang. Om te janken. Mijn handen zijn rood, vooral de bovenkant, langs de wijsvinger en duim. Ook mijn voeten en zelfs mijn lippen zijn verbrand. Een rosse met een bril zou niet van surfen moeten houden, maar wie in Oostende wordt geboren, houdt van de zee. In de koelte van het grijze water voel je niet hoe de zon je bijt, je voelt niets van de zanderige lucht, de trage verstikking van het leven aan land. Het water roept en sust. Wie in Oostende wordt geboren heeft geen heimwee, die heeft zeepijn.

 

Soms kom ik 's ochtends al vroeg naar het restaurant, vóór ieder ander. Dan kijk ik naar de kreeften in het aquarium, streel met een potloodlijn de lange tentakels, de oogjes en de soepel scharnierende staarten. Soms huil ik van frustratie omdat de beesten doods op mijn papier belanden, trek steeds snellere lijnen, een golfslag van grafiet om hen in leven te houden.

Wie eenmaal een kreeft getekend heeft, kan er geen meer eten. Daarvan ben ik overtuigd. En als kijken zoiets vermag, wat dan likken, kussen, de scharen uitzuigen? Hoe kun je zo intiem en toch zo wreed zijn met een beest?

 

Bram pakt het grote mes en zoekt met de punt het midden van de kreeftenkop. Dan zet hij kracht. Het beest wordt plat op het aanrecht gedrukt, en haar poten en voelsprieten zwiepen omhoog voor haar harde schaal meegeeft en barst.

 

Bam! Bam! Bam! Met drie klappen slaat Bram haar doormidden. Om zijn beukende vuist te beschermen, legt hij met vliegensvlugge handen steeds een doekje op de botte kant van het mes.

 

Ik stop met snijden, misselijk, rillend.

 

De kreeft is prachtig. Azuurblauw bij de gewrichten, en op haar buik draagt ze teder de strengen heldergroene eieren. Opengevouwen op het werkblad wuift ze met haar lange poten, en zelfs nadat Bram haar staart in stukken heeft geslagen, heeft elk stuk een poot die langzaam beweegt, een enkele wenkende vinger.