Altijd de literatuur

door Bertram Mourits

Onlangs – op 2 oktober 2018 – overleed Dirk Ayelt Kooiman. Vrijwel onmiddellijk werd in de pers de balans opgemaakt van een schrijverschap, en die slaat overduidelijk door in de richting van één boek: het indrukwekkende maar atypische Montyn, dat het levensverhaal van de controversiële kunstenaar Jan Montyn boekstaaft.

Atypisch omdat dit een spannend boek is, dat voortgedreven wordt door het levensverhaal van de schilder. Kooiman had hem uitgebreid geïnterviewd en het boek leest alsof het in één keer op papier geknald is. De vanzelfsprekendheid van het vertellen is een grote stilistische prestatie, maar het succes van dat boek moet hem haast wel dwars gezeten hebben.

Kooiman was namelijk geen verhalenverteller; het verhaal was voor hem een concessie aan het schrijven die als kiespijn gemist kon worden. In 1977 omschreef hij vlijmscherp zijn literatuuropvatting in een interview met Sjoerd Kuyper en Johan Diepstraten: ‘Het verhaal wordt corrupt op het moment dat er sprake is van inhoud, het volmaakte verhaal is het lege verhaal.’ Het succes van Montyn was dan ook verwarrend, en het zou lang duren voor hij een volgende roman zou voltooien, wat bijdroeg aan de faam van Montyn als magnum opus. 

 

En wat was er dan nog náást Montyn? Kooiman wordt omschreven als een pleitbezorger van ‘schrijvers die zonder veel spektakel aan een oeuvre wilden bouwden’ (de Volkskrant), als iemand die ‘bewust gekunstelde literatuur’ maakte (NRC Handelsblad), ‘voor wie het publiek nauwelijks warm liep’, waarbij zelfs ‘sommige collega-schrijvers luidkeels hun weerzin uitten’ (Trouw). Dat laatste slaat op een handvol negatieve recensies – want natuurlijk waren er voldoende collega’s met wie hij het wel kon vinden, en met wie hij twee belangrijke Nederlandse literaire tijdschriften oprichtte: Soma (1969-1972) en De Revisor (dat het al sinds 1974 volhoudt).

 

Dirk Ayelt Kooiman en Jan Montyn

 

Kooiman opende het eerste nummer van dit tijdschrift (ik sla de ‘Verantwoording’ even over), met een kort verhaal dat de bescheiden titel ‘Souvenirs, genummerd viii en x’ draagt, waarbij het eerste ‘souvenir’ afkomstig zou zijn uit de ‘memoires van een mensenredder’. Nog voor je begonnen bent met lezen, is de wereld van de lezer al twee niveaus verwijderd van die van de verteller: het verhaal doet zich voor als een souvenir dat zich voordoet als memoires. Dat deze redder vervolgens een ‘onbetekenende held’ wordt genoemd, die ‘nooit iets had meegemaakt maar kerngezond’ is, zet alweer op het verkeerde been. Dat wil zeggen: voor de literaire auteurs rondom dit tijdschrift het juiste been, namelijk dat van de literaire structuur en de stilistische omweg. Binnen dat verhaal probeert iemand de overbuurvrouw te waarschuwen dat er brand is, maar die gelooft dat niet, luistert met wantrouwen, het ‘lachje van voldoening’ vergroot zijn geloofwaardigheid niet. Of er echt brand was, is een onbeantwoordbare vraag. Het enige wat zeker is, is dat de weldoener zal zwijgen. Immers, ‘niemand wilde hem geloven’.

 

De redactie van De Revisor kijkt in 2011 overigens met trots terug op dit vroegste begin, dit verhaal ‘van gefnuikte verwachting en grootse pijnlijkheid, van brand en een glas sherry’, en om te begrijpen waarom, is het toch goed om even te kijken naar de ‘Verantwoording’. Die is namelijk uiterst serieus. Op het eerste gezicht zelfs defensief, maar dat is schijn: ‘Dit blad zal niet in het teken staan van ideologie of esoterische wijsheid. Wie daarop wacht kan nu met lezen ophouden en De Revisor bij voorbaat afdoen als elitair en geestvernauwend.’ Het is duidelijk dat ze dat etiket als een geuzennaam zullen dragen. Wars van esoterie, niet bang voor elitarisme – en altijd met de literatuur als uitgangspunt.

 

Het is dat aspect dat een beetje op de achtergrond verdwijnt in de korte beschouwingen die er in de kranten aan Kooiman werden gewijd: die liefde voor literatuur, die toewijding – die serieusheid. En die tref je wel aan wanneer je in de archieven van De Revisor op zoek gaat naar de brieven die Kooiman schreef. Zo was er in 1979 veel rumoer rondom de beroemde Huizinga-lezing van Karel van het Reve, waarin hij zich beklaagt over het feit dat neerlandici en literatuurwetenschappers altijd zo slecht schrijven. Makkelijk scoren (al moet toegegeven worden, het ís een enorm leuk verhaal), daar hielden ze bij De Revisor niet van en dus kwam er een uitgebreid weerwoord van W.J. van der Paardt, die minzaam (maar zelf ook geestig) Van het Reve ‘meer koddig dan ter zake’ noemde. Er kwam geen reactie van Van het Reve, die echter wel op tv bleef beweren dat niemand serieus op zijn bezwaren was ingegaan. Dat verleidde Kooiman tot een kort briefje:

 

Ik weet niet of u het stuk van de u niet onbekende Willem J. van der Paardt in bijgaand Revisor-nummer serieus neemt.
Mocht dat wèl het geval zijn, en mocht u de behoefte gevoelen er op te reageren, dan spreekt het vanzelf dat onze kolommen voor u open staan.

 

Dat antwoord kwam en werd afgedrukt in het feestelijke lustrumnummer – het eerste van de zesde jaargang. Het was even vernietigend als het oorspronkelijke verhaal, al werden er geen nieuwe argumenten aangevoerd:

 

Van der Paardt denkt dat hij een zeker effect bereikt bij de lezer door mij ‘de hooggeleerde’ te noemen, of door van tijd tot tijd in herinnering te brengen dat mijn lezing plaats had in een kerk. Als je niet zo goed kunt schrijven moet je dit soort dingen liever achterwege laten.

 

Kooiman had zijn reactie binnen – en al was die niet in overeenstemming met de opvattingen van het tijdschrift, het was wel goed voor de levendigheid in de kolommen, en de reputatie daarbuiten. En dat was te danken aan de toewijding en onverstoorbaarheid waarmee hij altijd te werk ging, vanaf het allereerste begin. Want wanneer uitgever Jaco Groot van De Harmonie voorstelt nog enkele jaren te wachten met een debuutbundel (dit om te voorkomen dat er verhalen uitgegeven gaan worden waar hij ‘als jeugdzonden op terug zal zien’), reageert hij begripvol, om niet te zeggen deemoedig:

 

Dat veel jonge schrijvers popelen om hun naam en produkten gedrukt de eeuwigheid te zien ingaan, is mij bekend. Mijn instelling is in dat opzicht anders. Dat is ook de reden dat ik aan Uw oordeel veel waarde hecht. Een kleine uitgeverij als de Uwe kan zich minder een misser veroorloven […] Daarom, wat Uw afwijzing, of, beter gezegd, mijn afwijzing, betreft: sans rancune.

 

Uiteindelijk zou De Harmonie jarenlang zijn uitgever worden. Geduld, toewijding:  deze houding leverde Kooiman bescheiden succes op, minachting in bepaalde kringen, een tijdloos boek dat hij misschien liever niet geschreven had, en uiteindelijk een onvervreemdbare plek in de Nederlandse literatuur.