Alles zal herinnerd worden

door Thomas Heerma van Voss

Waarom begint iemand met schrijven? Het is een van de meest gestelde vragen in auteursinterviews – en een van de moeilijkste om te beantwoorden. Sommigen zeggen: bij wijze van therapie, om dingen van me af te schrijven. Anderen zeggen: om herinnerd te worden. Weer anderen zeggen: om de wereld te doorgronden, mijn eigen rol daarin iets beter te begrijpen, of: om dingen vast te leggen, als vorm van documentatie dus. Ook een veelgehoord antwoord, eentje dat ik zelf ook weleens geef: omdat ik niet anders kan.

Schrijfdrift

 

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) lijkt een auteur die de bovenstaande motivaties combineerde, en dat leidde tot een ontzagwekkend grote nalatenschap: in het Literatuurmuseum liggen welgeteld achtennegentig dozen met zijn werk in bewaring, allemaal tot de rand gevuld. De inhoud: manuscripten, brieven, de meest uiteenlopende dagboeken (regelmatig met een heel specifiek onderwerp), aantekeningenschriften, duizenden handgeschreven briefjes en kladblaadjes. Het verraadt niet alleen een maniakale schrijfdrift, het geeft ook een kijkje in Van Deyssels af en toe maniakale gedachtewereld. Maar die twee gaan bij hem hand in hand – hoe meer ik door zijn nalatenschap bladerde, hoe duidelijker dat me werd.

 

Er is, bijvoorbeeld, een onaniedagboek waarin Van Deyssel bijhoudt hoe vaak hij masturbeert, wanneer, hoe lang, onder welke omstandigheden. (Een tipje van de sluier: vaak, en doorgaans onder huiselijke omstandigheden.) Ook te vinden: een weerdagboek, met iedere dag een beschrijving van de temperatuur, de wind, de lucht. Van Deyssel hield themaschriften bij over zijn verkoudheden, die hij minutieus omschreef. En er is een slaapdagboek dat bijzonder mijn aandacht greep – misschien omdat het, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het onaniedagboek, niet vaak is beschreven, en omdat het zo warrig gerangschikt is: op een overweldigende hoeveelheid soms slordig beschreven papiertjes hield Van Deyssel bij hoe hij had geslapen. Het onderscheid was dan niet eenvoudigweg dat tussen slecht, matig, en goed, nee, op die blaadjes worden stadia van halfslaap onderscheiden (enkel tussen het diepere slapen door, als voorstadium van het werkelijk ontwaken, het moment vlak voor hij in slaap valt). En in Van Deyssels universum zijn er ook allerlei verschillende vormen van ontwaken, van dromen, van liggen.

Al die afwegingen leveren zinnen op zoals deze (genoteerd op zondag 28 juni, 1891, een willekeurige dag in Van Deyssels bestaan):

 

De nacht, zijnde de periode tussen het inslapen en het voorgoed wakker worden, was slecht: wakker liggen, zich benauwd voelen, nerveus van de slechtste soort. Dromen van de slechtste soort.

Ik word wakker om 6u31, door het wekkertje. Mijn vrouw word [sic]

ook wakker.

Ik voelde mij dus beroerd en dacht dadelijk (als een dronken, weeë, zware, gasachtige hang (...) waarin ik als in een heet net lag, in mij op – ja, nu, nu het zooo erg is kan ik natuurlijk toch niet opstaan.

Ik meen nu (14u45 middag, 28-6-1891) dat ik ook tot mijn vrouw zeide: zie je, daar heb je het nu. Nu heb ik al die preparatieven gemaakt. En zo kan het toch natuurlijk absoluut niet. 

Zo gaat het door, dag in dag uit, maanden achtereen, inclusief de op de minuut uitgeschreven tijdstippen. In het slaapdagboek zijn eveneens paginalange overzichten te vinden van Van Deyssels slaapritmes, steeds onder het kopje kronologie. Wat Van Deyssel daar opschrijft is helaas niet begrijpelijk over te typen, omdat hij voortdurend met pijlen en schema’s werkt, als een beginnend wiskundige: hoelang hij in bed heeft gelegen leidt hij af uit hoe laat hij naar bed ging (vaak bijzonder vroeg) en weer opstaat (ook vroeg); hoelang hij sliep volgt uit het precieze moment waarop zijn wekker ging minus het moment van werkelijk in slaap vallen. Al die gegevens worden los genoteerd, ook het aantal keren dat Van Deyssel ’s nachts ontwaakt (wat uiteraard weer moet worden afgetrokken van de nachtrust), het precieze moment waarop hij ‘voorgoed’ (dat woord gebruikt hij veelvuldig) wakker wordt.

 

Al met al hebben delen van de tekst door dat minutieuze iets onbedoeld ontroerends, zeker als er kinderlijkheid in de taal doorschemert: bijvoorbeeld dat Van Deyssel talloze keren achter de subcategorie ‘Vannacht wakker geworden’ opschrijft: weet niet. De moeite die hij daar iedere keer in steekt heeft iets aandoenlijks: hij legde zichzelf de discipline op om hier steeds iets over te schrijven en kwam vervolgens niet tot een goed antwoord.

 

Voyeur

 

Maar de autobiografische flarden bieden meer dan alleen ontroering: soms zijn ze beangstigend, soms lachwekkend, soms deprimerend, soms vooral saai, en op andere momenten werd ik bekropen door een zeldzaam onbehagen: ik voelde me een voyeur in iemands veel te goed gedocumenteerde privéleven, en kan me delen van Van Deyssels leven nu beter voorstellen dan van mijn naasten, misschien wel beter dan dat van mezelf. Was dat ook zijn intentie? Vertrouwde hij daarom alles van zijn leven toe aan papier, met het oog op de buitenwereld? Of diende dit eindeloze vastleggen ook enig doel voor hemzelf?

 

Er zijn auteurs die in al hun aantekeningenboekjes stiekem materiaal zien dat ooit door letterkundigen zal worden bestudeerd, maar ik kan me niet voorstellen dat Van Deyssel op zoiets hoopte bij deze dagboeknotities. Daarvoor zijn ze veel te eentonig en saai, en zo’n verlangen alleen kan een auteur toch niet overtuigen om iedere dag gedetailleerd over zulke banale zaken te schrijven? 

Alles zal herinnerd worden

 

Vermoedelijk probeerde Van Deyssel door alles op te schrijven iets van zichzelf te doorgronden. Of was het gewoonweg een verslaving. Of wilde hij op deze manier zijn obsessieve, dwangmatige trekjes beteugelen – dat hij die heeft, lijkt me na het doorspitten van dit privéarchief onmiskenbaar. Om bij het slaapdagboek te blijven: na een tijdje verzandt hij zelfs in uitgeschreven en een tikkeltje beangstigende dialogen met zichzelf, bijvoorbeeld over slaapmeditatie. (‘Heeft maatregel 5 enig resultaat gehad? Antw: neen, want mijn vrouw heeft mij niet gewekt of gezegd op te staan.’)

 

Door te schrijven kon Van Deyssel alles opslaan wat hij deed, alles overzien ook wat er over hem te weten viel. Op deze manier zou alles herinnerd worden, door hemzelf, door de buitenwereld. Iemand bij het Literatuurmuseum zei, terwijl ze me enkele dozen van deze immense nalatenschap aanreikte: ‘Van Deyssel is typisch zo iemand die nu alleen maar zou Twitteren.’ Dat kan kloppen, maar het werkelijk vreemde is dat al deze teksten helemaal niemand bereikten. Wellicht las Van Deyssel ze zelf niet eens terug, al deze woorden, zinnen, alinea’s die ongezien bleven nadat ze op papier waren beland, en toch ruim honderd jaar later nog steeds niet zijn verdwenen.

 

Het Literatuurmuseum zal via een crowdsourcing-project de autobiografische teksten van Lodewijk van Deyssel binnenkort gaan ontsluiten.